JOORIS VAN HULLE - 2007 - Toespraak bij de tentoonstelling beeldend werk in Oostduinkerke.

In zijn magistrale essayboek ‘Herontdekking van een continent’ schrijft André Brink, uiteraard met voor ogen de niet steeds even hoopvolle situatie in zijn geboorteland Zuid-Afrika, o.m. het volgende over het belang van kunst in de samenleving: 

‘Het erkennen van onze behoefte aan kunst betekent niet het onderschatten van het belang van de eerste levensbehoeften voor mensen, van vrijheid, van de mogelijkheid hun lot te verbeteren: het is niet meer dan de erkenning dat de mensheid ook betekenis nodig heeft, of in ieder geval, de kans om naar betekenis te zoeken.’

Centraal in Brinks beschouwing staat het woord ‘betekenis’: vanuit het teken – een taalteken, een beeldteken – zin geven aan wat mensen drijft en bekommert.
Zijn uitspraak vat binnen de context van een maxime samen wat Renaat Ramon in zijn artistiek oeuvre voor ogen heeft.

Ramons oeuvre, dat zich langs wegen van geleidelijkheid heeft ontwikkeld tot een in de moderne kunst al te zeldzaam blijvende perfectie die steeds wordt nagestreefd, valt niet onder één noemer samen te vatten, tenzij misschien deze ene: tegen de dictatuur van de werkelijkheid in – een soort dictatuur die thans in de media schrikbarende vormen heeft aangenomen – tegen de dwingende eis van de herkenbaarheid in ontwerpt Ramon zijn eigen beeldtaal, die erop gericht is uit te spreken wat ‘achter’ de dingen ligt. Het is deze gedrevenheid, die de weg zoekt voorbij de anekdotiek, die maakt dat zijn werken ons uitnodigen te ‘zien’, naar de diepte toe te gaan, zoals Octavio Paz het uitdrukt in een van zijn gedichten:

De onwerkelijkheid van het geziene
verleent werkelijkheid aan het zien

Als dichter én als beeldend kunstenaar – twee disciplines die via de eigenheid van de visuele poëzie – waarvan hier ook een aantal voorbeelden worden getoond - nauw met elkaar verbonden zijn en de veelzijdigheid illustreren van zijn creatieve zoektocht – blijft hij, wars van alle stromingen en vluchtige trends, bij die ene regel die hem altijd voor ogen blijft staan: die van de originaliteit. Woord en materie (van marmer en graniet tot staal) spreken in zijn werk hun eigen taal, de taal waarin hij communiceert met zijn toehoorders en/of toeschouwers.

In zijn dichtbundel Rebuten, verschenen in 2004, richt de dichter Renaat Ramon zich op een bepaald ogenblik tot Lucilius Balbus, een van de deelnemers aan Cicero’s dispuut ‘De Goden’. Het gedicht vangt zo aan:

Ook jij, Balbus, prijst de schoonheid
de maat die in de mensen ligt
en de orde die de goden hebben gewild
maat, rede en evenwicht.

De drie-eenheid – maat, orde en evenwicht – vormt het substraat van Ramons beeldend werk. In hun ruimtelijkheid, geconcipieerd vanuit de dialoog tussen de geometrische vormen (bol, vierkant, cilinder, kubus, ovaal en balk) vertellen de beelden geen individueel verhaal, maar worden ze verhaal: het verhaal van een onstoffelijke wereld die er is en er altijd zal zijn.
Binnen deze optiek bieden de Ramon-structuren een rustpunt voor de toeschouwer die in een samenleving die juist steeds jachtiger en ongeduriger wordt, op zoek is naar een diepere vorm van zingeving.
In het gastenboek waarin bezoekers aan de net afgelopen expositie van Renaat Ramon in De Spil in Roeselare hun indrukken konden noteren, las ik deze treffende uitspraak: ‘Mede door de soberheid die je beelden uitstralen, nodigen ze uit tot stilstand.’
Een rake typering die het werk ook echt recht doet. De troost van de schoonheid, van de harmonie en het evenwicht. Of, zoals de Nederlandse auteur Jan Brokken het ooit schreef in zijn verhaal ‘Het laantje naar de leegte’: Als kunst goed is, troost het; dat is, denk ik, de enige functie van kunst.’

Dat gegeven kan niemand onberoerd laten. Ramons creativiteit berust op het vermogen tot herontdekken. Een herbronnen van wat op het eerste gezicht voor de hand ligt, de ruimtelijke vormen waaraan we in de dagdagelijkse omstandigheden van ons leven nauwelijks nog aandacht besteden.

In zijn gedicht ‘Leeftocht’ uit 1992 verwoordt hij zijn artistiek credo als volgt:

Behalve deze woorden
en enkele cijfers
heb ik geen middelen
van bestaan.
En ook geen reden.

De cijfers, de wiskundige en meetkundige vormen die in hun onderlinge samenhang en via een geraffineerd aanwenden van en omgaan met de kleur een fascinerend spel van lijn en licht opvoeren binnen de wisselwerking van materie en vorm: dat zijn de elementen waarvoor wij als toeschouwer oog dienen te hebben en waarvoor wij ons moeten weten open te stellen.

In de verzelfstandiging van zijn vormentaal – zijn ‘Idioom’, met een verwijzing naar het hier geëxposeerde schilderij, voor mij een van de meest treffende werken die hier zijn bijeengebracht – in zijn vormentaal gaat Ramon in wezen nooit gratuit te werk. Initieel blijft voor hem de doelstelling orde te scheppen in de chaos, evenwicht te zoeken als contrapunt voor een samenleving waar houvast en zekerheid grotendeels ontbreken.

Vaak ook herkent de toeschouwer een minieme vorm van anekdotiek. Niet de anekdote om de anekdote, maar - ook weer typerend voor het werk van Ramon – de anekdote die perspectieven opent op een bredere, vaak zelfs een andere werkelijkheid.
Wie het hier getoonde werk ‘Polis’ bekijkt, de Z-sculptuur – de kleine versie overigens van het monumentale werk dat in Zeebrugge prijkt – kan het werk lezen vanuit de verwijzing naar de stad Zeebrugge, naar zee, zand en zon, maar ook ‘ZIN’….
Wat primeert, is dan weer de totaalstructuur van het concept, waarin lijnen elkaar gaan opzoeken en in een subtiel ontworpen evenwicht houden.

Of neem het werk ‘Agora’: de in Carrara-marmer opgerichte stèles die vanuit de betekenis van het Griekse woord ‘agora’ een beeld zouden kunnen oproepen van een marktplein omgeven door zuilen (een verwijzing naar de Stoa, de zuilengang waar in de Oudheid filosofie werd bedreven), maar ook hier overstijgt het werk weer de directe relatie met een herkenbaar gegeven: de zuilen zijn fiere getuigen van een gedragen en doorleefd kunstenaarschap.

Ik blijf ervan overtuigd, dames en heren, dat wij hoe dan ook, geconfronteerd met het werk van Renaat Ramon, blijvend dienen te beseffen dat verklaren ook verliezen betekent.

Ik laat hier aan het slot de kunstenaar zelf aan het woord. In zijn meest recente dichtbundel ‘Geheim Besogne’, verschenen in 2006, staat een gedicht dat als titel meekreeg: ‘Opera’. Niet het muziekdrama wordt bedoeld, wel de ‘werken’, het gehele opus dat zich ontplooit in zovele ‘opera’, elk nieuw kunstwerk als stapsteen naar het volgende, want, zo ervaar ik het persoonlijk, Ramon blijft zichzelf door de vernieuwing heen.

Het gedicht luidt zo:

Alleen orde is eeuwig.
Man en vrouw
heb ik tot een sluitende cirkel verbogen,
van man en vrouw
een vierkant gemaakt –
zo kan ik werken
op de maat der mensen
als de vader der oorzaak,
door woorden bewoond
en door cijfers getekend.

Ik buig,
martel de metalen
luister
naar het kruien van keelklanken,
de woorden wentelend
in het vuur.

En zwijg –
want niet alles
mag voor de dag
een naam hebben.

Een ‘testimonium artis’, zo wil ik dit gedicht omschrijven. Een getuigenis ook van de bescheidenheid die ieder groot artiest kenmerkt: ‘ik zwijg / want niet alles / mag voor de dag / een naam hebben.’