ALAIN DELMOTTE – 2006 - Uit: Poëziekrant, jg. 30, nr. 6, 2006, p. 36-39.

 

DOOR WOORDEN BEWOOND EN DOOR CIJFERS GETEKEND

 

Twee poëticale besognes van Renaat Ramon

Renaat Ramon is de dichter van een weinig omvangrijk maar apart oeuvre.
Zijn spaarzaam samengestelde bundels verschijnen maar zeer sporadisch. Tussen 1987 (het jaar waarin de verzamelbundel Noodweer uitkwam) en 2004 (het publicatiejaar van Rebuten) verscheen niet één bundel in boekvorm. Op Ongehoorde gedichten (1997) en Color-field poetry (1999), twee collecties concrete/visuele poëzie, na. De bundel Rebuten leek me een retour en force, want het is zonder meer een hoogtepunt in Ramons werk. In 2006 verscheen Geheim besogne. Deze kleinoden deden meteen de vermeende zeventienjarige stilte vergeten.

De poëticale démarches van Ramon zijn niet vanzelfsprekend. Ze zitten vol uitdagingen. Ook voor de lezer. Zijn gedichten laten zich schrijven en lezen middenin het oog van een storm: in het spanningsveld tussen het expressieve en het verstilde, het lyrische en het beschouwende, het koortsige en het onderkoelende, het esthetische en het moralistische. Wat betekent dat het procesmatige, het conflict en het dialectische impliciet en wezenlijk deel uit maken van het gedicht. Dit proces houdt een stoïcijns volgehouden verweer tegen ‘toeval en willekeur’ in. Een duel tegen de tijd. Tegen het vergeten. Vormwil en vormvastheid kenmerken Ramons gedichten.

Deze gedichten doen in hun verklanking lyrisch aan, evenwel hellen zij nooit queeste ‘naar een achterliggende of verborgen idee’ – zoals hijzelf beweerde in het blijvend rake en spitse interview met Hendrik Carette, gepubliceerd in het boekje ‘Weerwoord’ (1987) dat naast dit interview een aantal teksten en essays over de dichter verzamelde bevatte. Het lyrische wordt dus subtiel door de rede getemperd. Hiervoor gebruikt Ramon twee (strategische) middelen die literair-historisch hun verdiensten hebben bewezen (en Ramon is zich van die traditie meer dan bewust): met name scepsis en ironie. Ironie is niet vrijblijvend: ze is dwingend, ze is noodzaak. Ironie wordt door Ramon niet tot het maken van wat woordgrapjes gereduceerd. Zijn ironie reikt verder: ze is organisch, complex, intelligent en zelfs intellectueel en/of intellectualistisch. Uit het interview met Carette: ’De ironie is er niet om te dingen of de feiten te verdoezelen of te relativeren, zij is er om de feiten te benadrukken. Wij hebben de ironie nodig omdat de taal slechts het kleed van de waarheid is. In de ironie overstijgt de dichter de subjectiviteit van de waarneming. Door de ironie neemt men afstand – maar het is de afstand die men neemt om beter te kunnen zien.’ Ironie als engagement: ‘De ironie is niet alleen een methode, een literair procédé, het is ook een denkwijze, een manier van zijn, vorm en voorwaarde voor vrijheid.’ De ironie is dan ook in zowel Rebuten als in Geheim besogne tot in de titels toe aanwezig. Niet in een slapstickvorm, maar geslepen, in het geniep, onderhuids, wonden blootleggend, meedogenloos en geduldig.

Jean-Michel Maulpoix: ’Lyrisme pourrait être le nom de ce que risque la poésie’. Bewust van het feit dat het wezen van de poëzie – ik citeer opnieuw uit het interview – ‘bacchantische vervoering’, ‘chimaera’ en een ‘gevecht met de engel’ (een gevecht met de ernst?) is, neemt Renaat Ramon een positie van ‘torenwachter’ in. Op de ‘Uitkijk’. Zoals Richard Minne ligt Ramon wantrouwig (niets menselijks is hem immers vreemd) op de loer: zijn alerte oogopslag houdt pathos en sentiment binnen aanvaardbare limieten. Dit blijft een poëzie zonder expliciete belijdenissen, hoogdravende retoriek of beate verbale ontsporingen. O ja, ontsporingen zijn er wel maar ze zijn van een ontnuchterende scherpzinnigheid. Dit is kritische lyriek. De taal wordt bevragend benaderd. Uitbarstingen worden slechts met mondjesmaat toegestaan. Maar zonder die uitbarstingen geen lyriek.

Gekneld tussen grammatica en mathematica, gaat Ramon op zoek naar het absolute teken. Het absolute taalteken. In zijn extreemste vorm mondt dit uit in visuele en of concrete poëzie. Ramon is een beeldend kunstenaar (schatplichtig aan het constructivisme) met grote faam. Het geometrische dat zijn beeldend werk kenmerkt vinden we terug in die visuele poëzie en in de wijze waarop hij zijn meer ‘traditionele’ dichtbundels structureert. Ook het belang van de typografie, de spaties, de leestekens, het wit stip ik aan als een ‘plastische’ referentie. Ramon dubt over het plaatsen van een komma alsof het een tragisch gebeuren betrof. (We weten het niet zeker: maar als gedichten inderdaad boodschappen in een fles zijn, geworpen in de zee van de tijd, dan heeft de man groot gelijk.) Aan Rebuten bijvoorbeeld, werd meer dan vijf jaar gewerkt. (Mocht er toch toeval en willekeur te vinden zijn in zijn teksten, dan werd dit door Ramon, schipper naast god, meticuleus berekend.) De plastische betrokkenheid introduceert in zijn dichtwerk het conflict tussen het als universeel ervaren cijferteken/tekencijfer en het relatieve, te zeer aan de particulier gebonden (want in de tijd steeds weer fluctuerende, eroderende) betekenissen van de woorden. Het woord is vlees geworden: het woord bewoont ons. En alle vlees is gras. ‘Door woorden bewoond en door cijfers getekend’ staat er in Geheim besogne. Het woord dat ons bewoont wordt onze dood. De afkeer voor de dood is wat in essentie de vormwil van deze dichter motiveert. In Qui-vive, een in 1999 verschenen special van het tijdschrift facture baroque, resumeerde hij zijn ‘geloofsbelijdenis’ in vier regels:


: hemel en aarde
+ zullen vergaan
- maar deze tekens
x zullen blijven


Hoewel we Renaat Ramon er duidelijk in herkennen, zijn Rebuten en Geheim besogne twee verschillende dichtbundels. Gelijklopend is er de eruditie, de secuur ingebouwde verschillende betekenislagen en de bravoure waarmee de bundels en de gedichten onderling (spelmatig) werden gestructureerd (de netwerken aan interpretatiemogelijkheden en allerlei dubbelzinnige verwijzingen die insinuerend ontstaan door het herhalen van sommige woorden, woordvelden, begrippen), het métier, de maturiteit, de kortgeknipte en kort knippende ironie, de aristocratisch aandoende trotse allures van de discreet in de schaduw verblijvende scribent.

Rebuten zijn onbestelbare brieven. In de bundel Rebuten lezen we onbesteld geraakte brieven die aan een wel echt selectief gezelschap zijn gericht. Het betreft figuren uit de zich over vele eeuwen uitstrekkende en zich aan de Middellandse zee afspelende Grieks-Romeinse tijd. Een fijn allegaartje van onder meer filosofen, astronomen, redenaars, heiligverklaarden, bannelingen, sceptici (wij begroeten Karneades en Pyrrho), asceten, dichters, verstekelingen en hier en daar (of moet ik zeggen meer dan eens) een rare vogel zoals bijvoorbeeld een zekere Bruttidius. Aan deze zeer onbekende stuurt Ramon niet zozeer een brief dan wel een (extreem kort gehouden) kattebelletje: ‘Je naam leeft, Bruttidius.’ en deze regel is dan het hele gedicht.

Velen van de geadresseerden waren voor mij notoire onbekenden. Of het nu al dan niet evidente ‘namen’ zijn die hier opduiken, is een vraag die ik onbeantwoord moet laten, wegens onbevoegd. Wel relevanter is de vraag of het noodzakelijk is om te weten wie de geadresseerden waren? Historisch of legendarisch: niet één personage zou verzonnen zijn. Geen sprake van enige mystificatie! Dit lijkt me overigens niet in de lijn te liggen van een dichter als Ramon. Hij is te redelijk om een fantast te zijn: daarom maakt waanzin hem jaloers (welteverstaan de waanzin van Hölderlin, van Baudelaire – ‘crénom’ -, van Nietzsche.) Op zijn website is een tekst terug te vinden waarin Ramon zijn vijfendertig correspondenten wat nader omschrijft. Het lezen van die korte verwijzingen is op zich al de moeite waard: ze zijn in het laconieke één en al Ramonesk. Zo bijvoorbeeld lezen we over hoger genoemde Bruttidius het volgende: ‘Wij lezen bij Juvenalis (ca. 60-140) in zijn 10de satire: 'Ik kwam bij 't Marsaltaar / Bruttidius tegen, wit van angst, en vrees / dat, sinds de keizer zich de dupe weet, / hij zich verongelijkt alom gaat wreken, / zoals eens Ajax deed…' Verder weten wij van Bruttidius niets.’ Het werpt een ander en scherper licht op het kattebelletje van daarnet. Betreft het hier nu stuk voor stuk figuren die de dichter met naam en al van de vergetelheid probeert te redden? Mnemosyne is al langer de muze van Ramon. Als poëzie iets moet, als poëzie een maatschappelijk functie moet hebben dan is het toch wel deze van ‘geheugen’. Het gedicht als memoriaal. Herinnering als verzetsdaad. Poëzie is een antidotum tegen het vergeten. Poëzie moet ons iets in herinnering brengen, brengt herinnering aan: de poëzie maakt de herinnering zichtbaar. Of nog: herinnering is wat poëzie laat zijn. Hans Faverey schrijft: ‘Door te zien / blijf ik mij herinneren; // hoop ik dat ik besta.’ En dat staat te lezen in een bundel die ‘Tegen het vergeten’ heet.

Maar waarom nam Ramon dit expliciterend en in sommige gevallen verhelderend lijstje dan niet in zijn drukwerk op? Geeft hij daarmee aan dat al de aangeschrevenen (die zonder onderscheid van rang of stand vriendelijk getutoyeerd worden) in deze bundel misschien wel persoonlijke projecties, identificaties, afsplitsingen, vermommingen en maskers kunnen zijn? Maken al de aangeschreven personages deel uit van een onmogelijk geacht zelfportret? Bewijsstukken dat de naam van de dichter leeft? We vinden er in ieder geval de contouren van de moralist Ramon terug (spottend, joviaal blijvend grimmig, ketters, stoïcijns, bescheiden). Ook laat hij hier en daar, zij het vluchtig, heel expliciet zijn eigen persoonlijke drama’s zien, onder meer in de brief aan Xenofanes van Kolofon, waar het gaat over het begraven van zonen.

We kunnen het nog anders stellen. Aangezien de hier aangehaalde personages alleen nog maar met naam en toenaam in oude teksten staan, zijn deze gedichten dan geen dialoog met die teksten, een poging tot glosse van die teksten – en moeten we deze gedichten vanuit bijvoorbeeld een strikt cultuurhistorische hoek benaderen? Ik moest denken aan het beroemde slotgedicht uit ‘Tempel en Kruis’ van de door Ramon gerespecteerde Marsman. ‘Wie schrijft, schrijv’ in den geest van deze zee/of schrijve niet: hier ligt het maansteenrif/dat stand houdt als de vloed ons vervalt/en de cultuur gelijk Atlantis zinkt’ Heel de bundel is sterk doordrenkt van een (mythisch) mediterrane sfeer: taal ruist zuiders. Brugge blijkt plots een stad met Latijnse wortels. Zoveel is zeker: Rebuten – waarvan ik noodgedwongen een groot deel onbesproken moet laten – is één van die bundels die niet is wat hij lijkt te zijn. Het is een zoektocht op allerlei fronten (historisch, metafysisch, politiek, artistiek, filosofisch). Het is een testament (tekstueel laat hij de goede lezer onder meer tussen de regels enkele binnenpretjes na). Het is een ‘levenswerk’: gedichten waarin een levenshouding en levenshoudingen in kaart worden gebracht. Het zijn elegieën (in een zacht, intiem aanvoelend parlando) die door understatement laconiek worden afgeremd. Breedvoerige gedichten soms, die van het oorspronkelijk minimalisme van Ramon lijken af te dwalen. (Maar eenmaal minimalist, altijd minimalist!)

Spelen in Rebuten de namen een belangrijke rol, dan krijgt het cijfer in Geheim besogne een prominente plaats. Neem nu de wijze waarop deze nieuwe bundel is gestructureerd. Hij is binair opgesteld, dit wil zeggen opgebouwd binnen het getal twee en zijn veelvouden. De bundel bevat zesendertig gedichten, verspreid over tien cycli. De eerste en laatste cyclus bevatten elk twee gedichten. Een cirkelstructuur die uiteenvalt in twee halve cirkels, in twee delen van vijf cycli. Die ‘vijf’ wijkt af van de veelvoudenreeks van twee. We ontwaren binnen de structuur een duidelijke breuk. Vijf als ‘breukgetal’. Maar op dit breekpunt ontstaat een verzoenend verband. Tussen het laatste gedicht van de vijfde cyclus (dat begint met de regel: ‘In een milde manische stemming’ – blijkbaar een sleutelgedicht, want Ramon laat het ook op de achterflap afdrukken) en het eerste gedicht van de zesde cyclus (dat begint met de regel ‘De zon is mild vandaag’) poogt het woord ‘mild’ op een ritueel talige manier beide halve cirkels aan elkaar te lassen. Van een besogne gesproken! Die twee gedichten vormen dan ook een ‘bindteken’ binnen de bundel (de zesde cyclus zal wel niet voor niets ‘Passage’ heten.) Dat bindteken zorgt voor een soort ‘mildheid’ tussen allerlei, binnen de bundel uitgezette tegenstellingen, scheidingslijnen. Ik som er enkele op: dalen en stijgen; vallen en klimmen; zwaartekracht en wolk; dag en nacht (Vigilie en Midi); orde en chaos; het aardse (het woord) en het kosmische (het teken), het menselijke en het goddelijke; pare getallen en onpare getallen; het berekende en het onberekenbare; het absolute en het incidentele; het antieke en het eigentijdse; het opene en het geslotene; het veeleisende en het milde. Op het formele vlak valt de tegenstelling tussen het parlando en de retorische toon op; het lyrische en het getemperde. De stilistische verscheidenheid werkt die tegenstellingen nog meer in de hand. In Rebuten, daarentegen, bleef de stijl rechtlijnig en harmonieus.

Ook binnen elk gedicht worden tegenstellingen verwoord. In nogal wat gedichten geeft een witregel en/of het tegenstellend voegwoord ‘maar’ vaak een kentering aan. Het geheime besogne achter de teksten is het oplossen van conflicten die je eigenlijk tot één conflict zou kunnen reduceren: het schaduwvechten tussen leven en dood. Een zoektocht ook naar mildheid, naar een vaste ‘maat’, de maat der mensen. Een zoektocht naar een afmeting en een handlanger, een mede-ingewijde. De titel Geheim besogne houdt een verwijzing naar een geheim genootschap in (the happy few?) Of naar een metafysisch geheim tout court.

Meer nog dan in ‘Rebuten’ valt de grote eruditie van Ramon op. Niet alleen in de intertekstuele verwijzingen maar ook in de complexe woordkeuze. Die put hij uit de rechtspraak, de fysica, de alchemie, filosofie (zelf herkende ik de scepticus Sextius Empericus en opnieuw Nietzsche), de retoriek... Maar in elk gedicht blijft, zoals in de vorige bundel, de ironie genadeloos sluimeren: wat binnen de orde van de gedichten wel wat voor chaos zorgt voor wie deze gedichten leest. Hoe ernstig ze bij eerste lezing overkomen, des te spelmatiger ze zich voordoen na verscheidene lezingen: sommige sacraal aandoende gedichten blijken in potentie blasfemisch zoals het (in 1988 voor het eerst gepubliceerde) gedicht ‘Ecce bellua’:

 

Als de tekenen niet bedriegen
heb ik te vergeefs
op het wentelen der jaren gewacht,
op het sterven van de slang.

Gedagvaard ben ik door de dood
omdat ik geen motief had om te leven.
Twist en twijfel zijn mijn deel geweest
en ik heb geloofd in de waan der dagen.
Nu wacht mij de weger van het hart
die de pluim der waarheid wuift.

Voor de drie grote zonden van Damascus
moest ik boeten, ondergaan in het geluid,
in het geklank van trompetten -
want mijn dagen zijn gewogen en geteld.
Ook mijn geld is geteld,
mijn erfenis reeds geregeld:
dertig zilverlingen en wat klatergoud.

Te vergeefs heb ik gepoogd mijn handen
in onschuld te wassen, mij te louteren
door het vuur - want de vromen
moeten mijn vlees eten. Maar slechts
met doornen werd ik gekroond en mij
werd ook mijn scharlaken mantel afgenomen,
alsof ik een man van smarten was.

Toen zag ik - het uur naderde -
dat ik een reusachtig monster was;
waarlijk, op aarde was niets
met mij te vergelijken.


Rebuten en Geheim besogne liggen in het verlengde van wat Ramon eerder publiceerde. Zij zijn de logische continuering van wat eerder werd ondernomen. Merkwaardige werkstukken. Zeg maar: uitgepuurd verwoorde processen. Resultaten, (resultanten? residuen?) van een langdurige reflectie over de zingeving van zowel poëticaal als beeldend werk. Voorlopige eindpunten? Passages? Hoe het ook verder gaat, deze twee bundels vormen ondertussen zonder meer de kroon op het reeds gepubliceerde literaire werk van Renaat Ramon.