DIRK DE GEEST – 2017 - Uit: Poëziekrant, jg. 41, nr. 2, maart-april 2017, p. 32-33

'Nog steeds met open vizier'

Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag bedacht Renaat Ramon zichzelf en zijn lezers met een nieuwe publicatie van zijn hand. Ditmaal betreft het geen essay of een bundel met concreet-visuele poëzie, maar een 'gewone' dichtbundel. Draagvlak en vizier springt echter meteen in het oog door zijn visuele vormgeving. Het omslag combineert op een ingenieuze wijze twee kleuren en enkele wiskundige patronen (lijnen en cirkels). Dat geometrische samenspel richt de blik van de lezer naar een soort lens, centraal op de bladzijde geplaatst. Verticaal afgedrukt staan daarnaast de courante gegevens: titel en auteur aan de ene kant, uitgever aan de andere. Voor- en achterplat hernemen en variëren die basiselementen. Kortom, de abstracte kunstenaar weet hier een intrigerend minimalistisch beeld op te roepen.

 

In contrast met die initiële verwachting bevat Draagvlak en vizier echter geen concreet-visuele creaties maar vrij lange gedichten in taal. In die zin ligt deze bundel in het verlengde van eerder werk, met name van de bundel Rebuten die Ramon in 2004 publiceerde. Veel van de hier opgenomen verzen hebben een autobiografische inslag; dat maakt ze herkenbaar, maar tegelijk ook minder conceptueel. In zijn geheel kan de bundel beschouwd worden als een soort caleidoscopisch zelfportret, maar dan een portret dat tot stand komt via brieven aan anderen. Veel van die intimi – daadwerkelijke vrienden dan wel geestverwanten (zoals dat in Rebuten het geval was) – zijn overleden.

 

De voorgaande karakterisering geeft al aan hoe bij Ramon het leven in feite ten dienste staat van de poëzie (en niet andersom). Het is in dit opzicht veelzeggend dat zijn bundel programmatisch opent met een retorische vraag van Pablo Neruda: 'Is een woordenboek een graftombe / of een gesloten honingraat?', waarop het openingsgedicht een poëtisch antwoord wil geven. Dat resulteert in een onverbloemde hulde aan het woordenboek als de zetel van de geschiedenis en de betekenis, een symbool dat zowel het doel als de oorsprong van de mens belichaamt:

Ook een atlas is weelde
maar een woordenboek leeft – leeft
zoals geen ander drukwerk leeft, want
woorden wijken wel, maar sterven niet.
Zijn woorden niet de zichtbare ziel der dingen,
van het beeld de zichtbare stem?

Aan de basis van de gedichten in deze bundel ligt, met andere woorden, een onvoorwaardelijk geloof aan het (poëtische) woord. Alle personen die ten tonele worden gevoerd, worden niet enkel aangesproken, ze transformeren letterlijk tot gestalten van taal. Dat brengt deze teksten – grotendeels ontstaan als gelegenheidsverzen over een periode van meer dan een decennium – samen tot een coherent, maar niettemin hoogst verscheiden geheel. Ramon verplaatst zich als een nauwgezette observator met kameleontische allures, telkens in zowel de levensvisie als de stijl van de geportretteerde. De noeste taalwerker Jozef Deleu wordt een tegenhanger van de oudtestamentische bouwers aan de toren van Babel in zijn poging om de spraakverwarring ongedaan te maken en de talige diversiteit te koesteren. De brief aan boezemvriend Hendrik Carette, poète maudit in alle opzichten, bewierookt vooral de passie van de outsider, met de typische ode aan het Vlaamse landschap en de barokke stijl. Omgekeerd krijgen zuiver conceptuele taaldichters als G.J. de Rook en Mark Insingel volstrekt uitgepuurde, haast minimalistische verzen toebedeeld. Het gedicht voor Insingel imiteert uitmuntend diens voorkeur voor herhalingen en subtiele verschuivingen, en bij de concreet-visuele dichter De Rook is niet toevallig sprake van een derde persoon, die zelfs als personage verdwijnt na gauw nog een schamel woord te hebben gegijzeld. Ook overleden vrienden als Marcel van Maele en Jan van der Hoeven worden herdacht met behulp van het typische idioom van hun werk: in die zin wordt hun dood getransformeerd tot een soort van ultiem verbaal gebaar.
Aan die portrettengalerij ligt uiteindelijk één gemeenschappelijk streven ten grondslag. Alle vertegenwoordigers van de vriendschap zijn doordrongen van het cruciale belang van de cultuur en de geschiedenis. De toon in de meeste gedichten is die van een verrijkend dialoog. Of de ander overleden is dan wel lijfelijk aanwezig, maakt niet zoveel uit, want pas binnen de ruimte van het gedicht wordt het intieme contact gecreëerd tussen deze ‘deelgenoten’ en ‘broeders’, over alle geografische en temporele grenzen heen. In deze monologische gesprekken – om het maar zo te noemen – worden geen biografische realia aan elkaar geregen, maar naar diepte, naar betekenis, naar waarheid gezocht. In die zin is deze bundel tegelijk een filosofische bezinning, een identiteitsbepaling met waardering voor verschillen. Dat wordt beklemtoond door de specifieke setting van die ontmoetingen. Daarbij wordt veel aandacht geschonken aan rituelen die bij momenten zelfs religieuze proporties aannemen: het delen van brood, het drinken van wijn, de geur van wierook suggereren alleszins een gewijde sfeer. Vanzelfsprekend speelt ook de taal bij dat alles een belangrijke rol. Zo wordt hardnekkig gezocht naar de meest geschikte verwoording om te tonen wat ons verbindt, maar tegelijk ook de ruimte te creëren voor wat aan de mens ontsnapt. De spanning tussen communicatie (het begrijpen) en mysterie (een ontvankelijk niet-begrijpen) keert in heel wat gedichten terug. Daarbij reikt Ramon diverse taalspelen aan. Er is de suggestiviteit van het landschap, dat zowel een gevoel van beslotenheid als een ervaring van oneindigheid en het sublieme kan opwekken.
Minstens even typerend zijn de vele verwijzingen naar de wiskunde, met haar symbolen en formules, een uitgelezen middel om de wisselvallige betekenissen te modelleren, om onderlinge schema’s en wetmatigheden bloot te leggen. Tenslotte is er, zoals gezegd, de schatkamer van het verleden waaruit de 21ste-eeuwse dichter moeiteloos kan putten: de (cultuur)geschiedenis, de humanistische filosofie en het woordenboek. Het zijn levensnoodzakelijke houvasten, zeker in een tijd waarin veel zekerheden wankelen.
Al die elementen dragen bij tot een intrigerende bundel vol ideeën en dromen, soms uitgepuurd en elders vol barokke details, nu ironisch en dan weer kritisch en overtuigd… Wie deze bundel leest met open vizier, komt onder de indruk van het streven dat eraan ten grondslag ligt. De onmiskenbare ambitie, gecombineerd met een grote verbale trefzekerheid en een enorm draagvlak aan referentiekaders, staat garant voor een verrijkende leeservaring.