G.J. DE ROOK – 1998 - Uit: Poëziekrant, jg. 22, sept.-okt. 1998, nr. 5, p. 66-67.

Met letters kan je niet alleen woorden maken die iets betekenen. Concrete poëzie ligt ook binnen de mogelijkheden. Renaat Ramon is in ons taalgebied – al doet die beperking hier weinig ter zake – een vaandeldrager van deze experimentele dichtvorm, vindt Gerrit Jan de Rook, naar aanleiding van Ramons nieuwe bundel Ongehoorde gedichten.

In de tweede helft van deze eeuw verschijnen er in de Lage Landen zo eens per decennium een of meerdere publicaties waarin het auditieve of visuele aspect van taal experimenteel wordt benut. Doordat deze evolutie zich zo schoksgewijs voltrekt, valt moeilijk een lijn in te trekken. Verwantschappen met taalgelijke voorgangers in het verleden of met anderstalige strijdmakkers uit de eigen tijd zijn lastig te traceren en dus krijgt de buitenstaander haast altijd de indruk dat het om geïsoleerde figuren gaat die de grenzen van de poëzie oprekken. Misschien - en als dat zo is, valt het te betreuren - gaat dat ook op voor een visueel dichter als Renaat Ramon. Hij verwijst in zijn bundel Ongehoorde gedichten slechts in één geval naar voor- of medegangers op zijn poëtisch pad. Raymond Roussel, de fascinerende Franse werkgroep Oulipo (waar Raymond Queneau deel van uitmaakte) en de vader van het lettrisme Isidor Isou krijgen in ‘comment, Ramon?’ een klein eerbetoon. Ook in hun geval gaat het om geïsoleerde fenomenen. In bepaalde opzichten is het niet kennen of het niet aangeven van relaties niet hinderlijk en in het geval van Renaat Ramon is het zelfs te billijken omdat hij met veel van zijn gedichten eigen ‘niches’ lijkt te hebben ontdekt. Ik heb het over zijn interesse voor wiskunde en semiotiek. Om met de eerste te beginnen. Ik ken inderdaad geen andere visueel dichter die zo frequent met wortels, machtsheffingen en getallen werkt. Van de 47 gedichten in de bundel Ongehoorde gedichten, is dat met ruim een kwart het geval. We treffen ze met name aan in ‘Codes’, het tweede van de vier delen. Zoals uit het gedicht ‘wikken en wegen’, wegen bij Ramon de cijfers zelfs zwaarder dan de letters. Toch heeft hij beide nodig, zoals hij aangeeft in het erop volgende gedicht ‘de spanning tussen orde en vrijheid’. Ware kunst bestaat immers uit een combinatie van deze twee principes. In de ogen van Ramon gaat het dan om de combinatie van een strakke ordening van cijfers met een chaotische wirwar van letters. Nu ben ik een alfatype en zijn letters mij liever dan cijfers. Het getal pi maakt geen deel uit van mijn denkwereld. Pascal en Pythagoras zijn geen personen waar ik in gedachten mee communiceer. Wat de semiotiek betreft, ben ik helaas ook geen kei, om het maar zacht uit te drukken. Derhalve kan ik gedichten als ‘o, Euclides’ en ‘Cidli’s sluimer’ niet goed beoordelen, maar het komt mij voor dat deze tak van de visuele poëzie door Zuid-Amerikaanse dichters als de gebroeders Haroldo en Augusto de Campos veel verdergaand onderzocht is. Ook de Brazilianen Wlademir Dias-Pino en Alvaro de Sá hebben gedichten gemaakt met gebruikmaking van wiskunde en semiotiek. (Zie hiervoor bijvoorbeeld hoofdstuk 8 van Clemente Padins Art and People, via Internet: http://www.conctric.net/-lndb/padin/lcppro.htm). Mag het abstractieniveau van de mathematische en semiotische gedichten voor mijn brein te hoog gegrepen zijn, in visueel-esthetisch opzicht meen ik dat Ramon in enkele gedichten niet ver genoeg gaat. Zijn weergave van een weegschaal in ‘wikken en wegen is te ‘tekenachtig’. Hetzelfde geldt naar mijn smaak voor de strop in ‘dood van de dichter’. Ook ‘Edison’ is mij te ‘vol’ gestructureerd met 19 herhalingen van het woord ‘lamp’ en 78 maal het woord ‘licht’. Ook op een gedicht als ‘Babel’ heb ik kritiek. De zigguratvorm is opgebouwd uit reeksen willekeurige Griekse letters. Ik zou het leuker hebben gevonden als de onderdelen steeds in een andere, al dan niet lastig leesbare taal waren geschreven, om zo de befaamde spraakverwarring nog eens te demonstreren. Deze kritiekpunten laten echter onverlet dat Ramons gebied op het vlak van concreet-visuele poëzie is gebeurd. Zo is ‘keerkring’ een prachtig gedicht, met zijn dubbelzijdige ‘lezing’ van de W. Ramon is hiermee de derde dichter die het Belgisch meesterschap van het cirkelvormige gedicht bevestigt: na De Vree's ‘revolutie’ en Insingels ‘Modellen’. Ramons definitie van poëzie als de wortel van het oneindige is memorabel. Zijn ‘ode’ lijkt mij een klassieker te zullen worden. Ramons sobere gedichten spreken mij nog het meest aan. Een voorbeeld daarvan is ‘zon en rivier’. De eenvoudige combinatie van twee lettertekens, een 0 en een omega, heeft een monumentale allure.  Ongehoorde gedichten is een sterke bundel van een der fakkeldragers van de concrete poëzie in ons taalgebied.