HENDRIK CARETTE - 2006 - Uit: Nieuwzuid #, nr. 24, 2006, p.38-46.

 

Ramon tussen de Tiber en de Acheron’

 

De oneindige wade van Penelope.

De cyclische tijd van de stoïcijnen.
Het geldstuk in de mond van de gestorvene.
Jorge Luis Borges, in De oorzaken.

Nietzsche vertelt in ‘Homerus’ strijd’ (1872) dat toen de reizende Pausanias op zijn zwerftocht door Griekenland een bezoek bracht aan de Helicon, men hem een oeroud exemplaar van het eerste leerdicht van de Grieken liet zien, de Werken en dagen van Hesodius , ‘op loden platen gegrift en door de tand des tijds en het weer sterk aangevreten’. (1) En ook Marguerite Yourcenar verwijst in haar Carnets de notes de “Mémoires d’Hadrien” even naar de vermaarde Griekse ontdekkingsreiziger en schrijver Pausanias die ons leerde dat keizer Hadrianus in de herfst van het jaar 124 de graftombe van Epaminondas liet oplichten en er een gedicht in schreef.
Na de lectuur van zijn Rebuten (2) weten we dat ook Ramon op zijn beurt de Helicon heeft bezocht. Maar bij Gottfried Benn lezen we, wat al eens vergeten wordt, dat ‘de antieke samenleving op het gebeente van slaven rustte’ (3). Hoe dan ook, zowel Nietzsche als Benn stonden graag op het hoge kale rotsgesteente waartegen de wortels van onze westerse beschaving groeiden.
Renaat Ramon heeft nu amper de leeftijd bereikt waarop men in het antieke Rome voor senex doorging. En nu de vergrijzing in dit oude, overbevolkte en vermoeide Europa een algemeen aanvaard maatschappelijk feit is geworden, wordt het hoog tijd dat wij de mening van Ernest Renan respecteren die beweerde dat bijna niemand voor de leeftijd van veertig jaar een literair werk van enig belang schrijft. Grijswijze ouderlingen als J.M. Coetzee, George Steiner en Amos Oz en dichter bij ons iemand als Hubert van Herreweghen en andere voorgangers in de tempel van de tijd (Borges en Yourcenar) hebben deze uitspraak van Renan op onnavolgbare wijze aangetoond en bevestigd.
De heisa in de media rondom de Franse schrijver Michel Houellebecq doet velen allicht vergeten dat deze Houellebecq eerst een onbekend auteur is geweest van koele gedichten en koele als met een scalpel uitgesneden essays, o.m. over P.H. Lovecraft (Contre le monde, contre la vie, Monaco: Éditions du Rocher, 1991) en andere hoogst merkwaardige essays die gebundeld werden in Rester vivant et autres textes (Éditions de la Différence, ook in 1991), waarin hij een aantal persoonlijke stellingen poneerde die als een soort van poëtica kunnen fungeren en dit dan vooral in de essays: ‘D’abord, La souffrance’, ‘Articuler’ en ‘Survivre’ dat aanvangt met de eerder simpel lijkende zin: ‘Un poète mort n’écrit plus. D’où l’importance de rester vivant.’ Of de al heel wat minder simpel lijkende zin uit het eerste essay: ‘La première démarche poétique consiste à remonter à l’origine. À savoir: la souffrance.’ Ramon beantwoordt aan beide vereisten: hij is in leven gebleven en is bij het bedenken en componeren van deze dichtbundel met vijfendertig telegram- of briefgedichten teruggegaan naar onze oorsprong in Athene en Antiochië, naar Brundisium en Efese en naar de eilanden Delos, Lesbos, Milos (waar hij alleen in gedachten is geweest), Patmos en Samos, waar het lijden aan het begin der tijden al begonnen was. Want ook Ramon weet, na een lang en vruchtbaar leven, wat hij niet echt vrezen moet: ‘N’ayez pas peur du bonheur; il n’existe pas’. Patrick Lateur, de graecus met de grijze wuivende haardos die de vijfenveertig Zegezangen van Pindaros in een helder Nederlands vertaalde, opent zijn inleiding ‘De zanger van Hellas’ met de terechte bedenking: ‘Het landschap van de archaïsche lyriek lijkt op een streek die door een orkaan werd geteisterd. Wat overblijft zijn vaak schitterende brokstukken van poëtische bouwwerken die zelfs na fragmentatie iets laten vermoeden van hun ongemene rijkdom’. (4)
Wie zomaar lukraak een boek van Marguerite Yourcenar uit de boekenkast haalt, vindt vooral in La couronne et la lyre (1979), een in het Frans vertaalde bloemlezing van Griekse antieke dichters, de glinstering terug van deze brokstukken. En uiteraard vallen nog altijd vele grote schrijvers terug op de Ouden en die hele mediterrane wereld die niet altijd zo zonnig en zo vredig was en wel meer bloederige monsters heeft gekend dan wij ons nu eenmaal graag willen voorstellen. En de lezer vergeve mij deze parafrase, maar ook het landschap van Ramons lyriek lijkt hier op een Helleense wereld die door de orkaan van de tijd werd geteisterd en wordt dan ook bijna hoofdzakelijk door ketters en andere in ongenade gevallen figuren bevolkt. Met nog brandende rivieren in ‘Aan Palamedes’:

 

Laat je bekransen met twijgen van peppels,
Palamedes, en waak, ook jij,
aan de boorden van de brandende rivier.

 

Met demonen en goden als schaduwen en maskers onder een verblindende zon in ‘Aan Euagrios van Pontos’:

 

Je hebt een plaats uitgezocht, Euagrios,
waarvan je zeker wist dat de zon er stil
zou staan, een uitgelezen oord voor het ultieme
gevecht met je demonen: in Lybië
is de middag een eindeloos deel van de hel.

Ook wat overblijft in Ramons helemaal niet saaie en retorische monologen of levendige briefgedichten zonder al te veel culturele ballast, komt, door zijn voorkeur voor het conciese en de metafysische poëten gevaarlijk dicht bij die schitterende brokstukken die als het ware slechts fragmenten lijken te zijn. En wat Cioran stelde over de filosofie: ‘Je crois que la philosophie n’est plus possible qu’en tant que fragment. Sous forme d’explosion’, kan ook gelden (vervang filosofie door poëzie) voor de al dan niet postmoderne poëzie. Ramon neemt altijd voor alles graag de rust en de ruimte en wat meer is: zoals in een tragedie van Sofokles verdedigt Ramon de wetten van het persoonlijke geweten tegen de valse gerechtigheid van de menselijke wetten van dorhartigen. Want hij stelt het in zijn rebuten onomwonden (elk briefgedicht eindigt trouwens met een zeer saillante pointe): een God van liefde vonnist niet.
En zijn brief ‘Aan Thoukydides’ (Ramon gebruikt hier de schrijfwijze van een graecus) begint heel lyrisch met het golven van het graan, maar eindigt met het sublieme zien van zijn eigen Afrodite (torse nu schrijft deze ironiserende, maar niet cynische dichter) en het voelen van hoe een doorn steekt in eigen vlees.
Wat dreef de mysterieuze maar helemaal niet zo hermetische dichter Ramon tot het schrijven van deze wel afgewogen brieven? Ik denk dat ik het weet: Ramon zocht en vond hier een aantal belangrijke en kleurrijke gespreksgenoten. Want in ‘Aan Aristarchos van Samos’ bekent Ramon weliswaar gretig en graag dat hij van alle Grieken houdt, maar toch deze Aristarchos het meest bewondert. Zijn brieven zijn echter meestal gericht aan eerder onbekende of geheel vergeten (de drie meest bekenden zijn ongetwijfeld de gematigde epicurist Horatius, de apostel Johannes van Efese en de geschiedschrijver Thucydides) adressaten in Hellas en daarbuiten. Deze adressaten of correspondenten kunnen post mortem helaas niet meer antwoorden op of weerspreken wat Ramon binnen de ruimte van één beschreven blad van hen bewaarde en verklaarde. En toch gaat de dichter de dialoog aan met deze - dit keer niet geometrische - historische figuren (van Archytas van Tarente tot Xenofanes van Kolofon), maar bovendien gaat hij ook nog een dialoog aan met zijn huidige lezers en tijdgenoten die in deze gedichten worden geconfronteerd met een aantal magnifieke marginalen van de oudheid en zijn lezers worden gedwongen tot louterende studie en lessen. De afstand of de afgrond van twintig en meer eeuwen weerhield de ascetische Ramon niet, in tegendeel, en ook de chronologie of de ‘brandende actualiteit’ kan deze durvende denker en dichter niet weerhouden om in zijn eigen traag, maar waardig tempo de tempel(s) van zijn voorkeur te betreden. Bovendien krijg je als lezer de stellige indruk dat deze dichter elk woord en elk beeld bij zijn terugkeer in de stilte van zijn Brugse woning (veel glas en veel natuursteen) eerst lang gewogen en overwogen heeft.
Het langste gedicht is misschien ook het meest indrukwekkende en het is gericht aan Titius Cassius Severus en eindigt aldus: ‘En toch, Cassius Severus, / ook nu nog: als jij spreekt wordt het heel stil / aan de boorden van de Tiber, stiller nog / dan aan de oevers van Acheron’. 

In de Nederlandse letteren waren het de beruchte brievenboeken Op weg naar het einde en Nader tot u waardoor Gerard Reve in de zestiger jaren van de vorige eeuw plots een ruime bekendheid genoot. En de briefroman, of beter de telegramroman Black box (vert. 1989) van Amos Oz blijft een geniaal meesterwerk. Maar het genre van het briefgedicht, dat in de Latijnse literatuur populair was, is in deze tijden van turbotaal en digitale berichten eerder ongewoon en dus onmodieus.
Zoals ook ik ooit het eiland Ameland doorkruiste om te controleren of alles wel degelijk klopte met mijn verbeelding in de elf gedichten van mijn ode aan Friesland, zo reisde Renaat Ramon, niet als toerist of als zonneaanbidder, want ook deze Ramon laat zich zeker niet verblinden door de zon! En ook niet als afgevaardigde van de Delisch-Attische Zeebond, maar als een soort van hogere culturele controleur reisde Ramon een paar jaar geleden naar het eiland Delos en de Griekse wateren om te controleren of de afmetingen van de in de zon schitterende tempels, amfitheaters, gedenkstenen en andere restanten of al dan niet gerestaureerde ruïnes wel degelijk de juiste afmetingen hadden en vooral, zo vermoed ik, om ook de afglans van dit alles nog eens zelf met eigen ogen te zien en te bewonderen.
En ja hoor, Ramon kon vaststellen wat Plutarchos eerder had opgemerkt: ‘Ieder werk was in zijn schoonheid reeds op het moment zelf onmiddellijk antiek, maar in zijn kracht tot op heden fris en nieuw’.
In 35 - met Romeinse cijfers genummerde even getallen, want ‘Even getallen/ zijn door mensen gemaakt; / Oneven getallen / Zijn door Gods hand geraakt.’ (5) van VI tot LXXIV – briefgedichten rastert de aforisticus, beeldhouwer, dichter, erudiet essayist, memorialist en ontwerper Renaat Ramon (°Brugge, 1936) de hele antieke wereld. Of beter nog: zijn antieke wereld. En dit resulteert in een reeks evocaties en portretten die het wezen van al deze denkers en andere kwelgeesten, ketters, poëten, profeten, zieners, zangers en wijzen weergeven. En door Ramon ook opnieuw als nog altijd levende persoonlijkheden met al hun dwalingen en andere heerlijke scherpzinnigheden onder onze aandacht worden gebracht. Deze rebuten gericht aan al deze historische personen (aanvankelijk dacht ik zelfs dat Ramon, zoals Borges ook wel eens durfde, een aantal figuren had verzonnen) zijn geen portretten van een portrettengalerij, maar vormen een reeks van missiven waarin Ramon wel scherp oordeelt (en observeert) en weegt, maar niet veroordeelt. Met misschien één schitterende uitzondering en dit dan nog in ‘Aan Quintus Horatius Flaccus’ waar Ramon aan het eind op een bijna vaderlijke, maar zacht vermanende manier toch nog zijn niet lichte ontgoocheling uitdrukt :

 

Je bent een groot dichter, Horatius,
Maar dit valt me tegen van je: je prijst
de middelmaat, de vroomheid en de keizer.

Rebuten zijn helaas onbestelbare brieven (misschien zoals een fles met een noodkreet in zee wordt gegooid) die na een tijdje in een speciaal daartoe bestemd kantoor van rebuten op een hoop worden gegooid. Maar hier in het geval van Ramon ligt de merkwaardige originaliteit in het feit dat hij als brievenschrijver al bij voorbaat wist dat zijn correspondenten niet konden antwoorden, niet zozeer omdat zij dus niet over een postbus, een correct postadres of een domicilie beschikten, maar omdat zij nu eenmaal al eeuwen en eeuwen rondwaren op de Elyzeese Velden en dus voorgoed bij Hades zijn. Eén voorbeeld van zo’n brief of missive kan allicht beter de originaliteit expliceren en illustreren. Het gaat om de brief of het poststuk (XXX) gericht aan Gaius Sallustius Crispus :

 

Je levenswandel is niet onbesproken,
waarde Sallustius, en men laat niet na
te vertellen dat je van plebejische afkomst
bent, rijk, maar toch: een man uit de heffe des volks,
ooit de harde gouverneur van het Numidische
wingewest. Maar je wordt benijd, Sallustius,
geprezen om je stijl die strak en bondig
heet te zijn, en nog wijst men de heuvel aan,
de verheven residentie die je liet
neerzien op het volk, op het gejammer
en de vreugde, op de wandaden
van de patriciërs, op de parade
van de cohorten. Ja, we gaan luchtharig door
het leven als door een vreemd land, Sallustius,
maar we weten het: stervend nog dragen
de rebellen een masker van overmoed –
en de horigen schrijven geschiedenis.

En zo schuilt in elke brief - want als aforisticus is Ramon geen sofist maar wel een geheime moralist - elke keer weer een bedenking, een constatering of een portrettering die op een scherpe pointe met een vermaning eindigt. Hier wordt dus door Ramon absoluut niet gemoraliseerd. Nee, hier wordt helder en lucide becommentarieerd en nagedacht over alles wat door deze meestal onorthodoxe geesten werd gedacht en beweerd. Zo begint de missive aan Satournilos (poststuk LXII) met een verwerping van een tot op heden nog altijd ruim verspreid denkbeeld dat hier zeer rationeel door Ramon als waanidee wordt afgewezen:

Dat we door God zouden geschapen zijn,
Satournilos, dat betwijfel ik ook: God
zou dat beter hebben gedaan. Waarom
zou de Volmaakte iets onvolmaakts scheppen?

En na deze vraag moge duidelijk zijn welke belangrijke levensvragen en filosofische stellingen via de deskundige diensten van deze posterijen of postduiven worden gesteld en geponeerd. Het gaat hier dan niet meer over het Delisch probleem van de verdubbeling van de kubus, maar noch min noch meer over de schepping van de mens en het bestaan van halfgoden, demiurgen en andere opstandige engelen.
Dat Ramon een hoogst originele wiskunstenaar is, heeft dus niet zozeer te maken met zijn liefde voor de Euclidische meetkunde of zijn bewondering en eerbied voor de hogere en zuivere wiskunde, maar niet toevallig ook met het werkwoord wissen. Want wie niet goed weet te schrappen (Delete is en blijft een belangrijke toets op het klavier van onze computers), kan niet goed schrijven. Schrappen staat hier dan voor de eliminatie van de niet illuminerende elementen, een modus operandi waardoor ook de dichter Roland Jooris (trouwens een generatiegenoot van Ramon) zo uitblinkt.
Een wiskunstenaar als Ramon is dus een zeldzaam kunstenaar die, ook al heeft hij de grote rivieren gezien en de Ganges en ook al heeft hij ooit aan de oevers van de Tiber en de Acheron gestaan, alles wat niet wezenlijk is eerst zelf heeft geschrapt of uitgewist vooraleer hij zelf geheel en al tot stof en stofdeeltjes wordt uitgewist. En de niet onfortuinlijke redenaar en grammaticus Marius Cornelius Fronto (100-175 n.C.) die zelfs De lof van rook en stof bezong, zou na de lectuur van de hier aan hem gerichte brief wellicht de eerste zijn om in te stemmen met mijn mening dat deze leergedichten waarlijk wel uit de pen en de stem van een wijze komen en dus bestemd zijn voor Wijzen.

(1) Vertaald door Tine Ausma en ingeleid en van aantekeningen voorzien door Pieter Mostert in Friedrich Nietzsche.

Waarheid en cultuur, in ‘Vijf voorwoorden voor vijf ongeschreven boeken’, in de reeks ‘Boom Klassiek’, vierde, herziene druk. Amsterdam: Uitgeverij Boom, 2003, p. 108.
(2) Ramon Renaat, Rebuten, met de vermelding ‘Voor Varus, voor mijn getrouwen, voor de gezworenen’. Gent: PoëzieCentrum, 2004.
(3) Benn, Gottfried, Gesammelte Werke, 4 Auflage, ‘Essays und Aufsätze’, ‘Dorische Welt. Eine Untersuchung über die Beziehung von Kunst und Macht’, ‘II: Sie ruhte auf den Knochen der Sklaven’. Wiesbaden / München: Limes Verlag, 1977, p. 269.
(4) Pindaros, Zegezangen, vertaald en toegelicht door Patrick Lateur. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep, 1999, in ‘De zanger van Hellas’, p. 7.
(5) Petsinis, Tom in het essay ‘Het laatste priemgetal’ in het themanummer ‘De macht van het getal’, tijdschrift Raster, nr. 10. Amsterdam: De Bezige Bij, 2002, p. 144.