JAAK FONTIER – 2008 - Uit: Kunsttijdschrift Vlaanderen, jg. 57, nr. 322, p. 258-260.

RENAAT RAMON: Veelzijdigheid door vele bronnen gevoed

Reeds door zijn debuutwerken - te zien op tentoonstellingen te Haarlem en Brugge in 1961 - werd duidelijk, dat Renaat Ramon (Brugge, 1936) diverse wegen wilde bewandelen. Hij had tijdens de laatste drie jaren sculpturen vervaardigd in steen, keramiek en koper, reliëfs gemaakt, schilderijen op doek en op paneel, werken op papier met olie en gouache. Maar al die uitingen van zijn creativiteit konden nog onder één noemer worden gebracht: de productie van een beeldend kunstenaar. Wie vandaag, bijna vijftig jaar later, een enigszins volledig beeld van zijn bedrijvigheid wil geven, moet handelen over de beeldhouwer, de schilder, de graficus, de ontwerper, de essayist en de dichter. Hij is niet, als in een aantal teksten wordt geschreven, een dubbeltalent, maar een veelzijdige, een uomo universale, in wie het humanistische renaissance-ideaal tot het begrijpen van de samenhangen en het geheel levend is gebleven. Want hoe uiteenlopend het werk is geconcretiseerd door middel van vele materialen en technieken, door nu eens beeldende vormen dan weer door taal, het vertoont diepe innerlijke verbanden, spirituele samenhang en een fundamentele, op kennis, inzicht en een sterk ontwikkeld gevoel voor relatie en verhouding gesteunde visie.

De beeldhouwer


De analyse van de beelden verschaft al hechte bases voor de ontdekking van de vele drijfveren die het scheppingsproces op gang brengen, voeden en variëren. De wiskunde, de meetkunde en de stereometrie bieden vaste uitgangspunten en leiden tot de voltooide vorm, de volkomen perfecte maten. De opvattingen en stimulansen worden bij Renaat Ramon niet gevoed door de natuur of de waarneming van de natuurfenomenen. De natuur is onderhevig aan verandering. Zij staat nooit stil, beweegt, vloeit en stroomt steeds verder. Zij is onderworpen aan processen van wording, progressie, voortschrijding, ontwikkeling, ontplooiing, afwikkeling, groei en verval. In de natuur is de tijd steeds nadrukkelijk aanwezig en hij tikt mee in elk moment van elk proces. Ramon maakt sculpturen, die, met behulp van de uitgepuurde, minimale en essentiële vorm, de tijdelijkheid willen overstijgen.
Geen sentimenten legt hij vast, geen emoties roept hij op, geen lyriek streeft hij na, maar hij vraagt de inzet van de sensibiliteit van de kijker voor concrete, exacte, autonome schoonheid, subtiele afweging van volumes en massa's, klare omschrijving van ruimte, zuiverheid van relaties en verhoudingen.
Daar de beelden van Ramon bezit nemen van de ruimte, de ruimte zowel tonen als animeren, de kijker van de ruimte bewust maken, zijn ze uitermate geschikt om op een openbare plaats te worden opgesteld en die site een meerwaarde te verlenen.
De uitvoering op monumentale schaal van het eerst op de tekentafel en vervolgens in maquettevorm ontstane beeld is een lang en vaak moeizaam proces, waarbij heel wat technische kennis is vereist en soms ook enkele praktische problemen rijzen. Renaat Ramon heeft de kans gekregen - en steeds de zo noodzakelijke volharding kunnen opbrengen - om een aantal grootschalige projecten te realiseren. We treffen ze op de volgende plaatsen aan: “Cycloop”, Cultureel Centrum De Dijk, Sint-Pieters-Brugge (1983); “Trap van staal en wolken”, uitgevoerd in opdracht van de Provincie West-Vlaanderen voor het Provinciaal Centrum 't Venster te Emelgem/Izegem (1997); “Octogon”, rotonde Koning Albert-laan, Sint-Michiels-Brugge (1998); “Komeet”, in opdracht van Immo Walleyn, Loftstraat-Komvest, Brugge (1998); “Mucronis” (1984) en “Colombarium”, Crematorium Westlede, Lochristie (1999); “Hommage aan Alfred Ost”, Van Ostplein, Zwijndrecht (2000); “Equinox”, Park, Koekelare (2000); “Cirkelkwadratuur”, Museum van Volkskunde, Brugge (2002); “Monument voor Baron Auguste de Maere d'Aertrycke”, Baron de Maerelaan, Zeebrugge (2004). Met een aantal meetkundige basiselementen creëerde hij sinds 1985 ook een reeks zuiver constructivistische installaties.
Steeds ontwerpt Ramon aan de tekentafel, zoekt en vindt hij op het tekenblad. Een beeld van hem, hetzij van kleiner formaat, hetzij van monumentale dimensies, is eigenlijk gerealiseerd vooraleer het is vervaardigd. We bedoelen: het bestaat al in zijn conceptuele, structurele, compositorische en ideëel-formele volledigheid, voor het door middel van materie wordt omgezet tot zicht- en tastbaar, ruimte innemend, in drie dimensies zich ontwikkelend object.
Tijdens een drievoudig proces komt het kunstwerk tot stand. Eerst groeit de conceptie in de geest die beeldt en bouwt, die ziet met het innerlijke oog in volume en verhouding, die vormt en meet volgens gevoelige wetten van relatie en harmonie. Daarop ontstaat het ontwerp als tekening op papier die in een visueel beeld het immateriële concept toetst, het schematisch-klaar onder de ogen brengt, de idee veraanschouwelijkt, de vormgeving aan de proef van een eerste concrete vastheid onderwerpt en, zo nodig, haar bijstuurt of verfijnt. De derde fase omvat de met technische en mechanische hulp door medewerkers gerealiseerde vervaardiging in hout, steen, plexiglas, ijzer, brons, staal - materialen die een perfecte afwerking vereisen en waaraan, indien gewenst, een bovenop aangebrachte kleurhuid de final touch verleent.


Zowel die ontstaanswijze als de aard van Ramons beelden sluit aan bij de houding van de actuele mens die niet langer in direct contact met de natuur leeft. Natuur en buitenwereld komen op de hedendaagse mens toe via allerlei filters en media. Ons wereldbeeld is in hoge mate bepaald door een technisch-wetenschappelijk denken.

Kleur en permutaties met kleur
De verhouding vorm-kleur heeft van Renaat Ramon steeds veel aandacht gekregen. In zijn stenen sculpturen heeft hij de natuurlijke kleuren van het materiaal behouden: het wit of het okerachtige wit van de Franse steen, het grijsblauw of het zwart van het geslepen of gepolijste arduin. Zwart is de stalen “Hommage à Paracelsus”, blauw de “Kijkkops”, koningsrood het “Oogseizoen”, staalblauw “De avonturen van een cubus in de ruimte”, bronzig bruin het kunstmatige, beschermende roest van de “Inserts”, wit, grijs en zwart zijn de reliëfs, geel enkele van de hierboven genoemde monumentale werken.
Het gebruik van termen als schilder en schilderwerk voor Ramons creaties met verschillende kleuren kan de lezer slechts op het verkeerde spoor zetten. Bij een kunstenaar die grondig over de verhouding vorm-kleur reflecteert, past de gedachte niet aan de spontane, door intuïtie geleide schilder die zich vol overgave stort op de mogelijkheden van de verf, de penseelvoering, het uitbundige palet van de colorist of het eindeloze spel van de kleurnuances. Ramon onderzoekt de kleur, haar werking, de betrekkingen die ontstaan wanneer kleuren naast elkaar worden geplaatst, wanneer de oppervlakten die ze bedekken van plaats of van afmeting veranderen. Zijn reliëfs en vlakke composities zijn studies, systematisch geordende vormen van onderzoek. Zo heeft hij in de zes delen tellende reeks “Keerkring” de wisselwerking van de kleuren geel, groen, paars en grijs nagegaan door middel van permutaties op een vast patroon van veldverdeling.
Duidelijk hierbij werd ook dat kleur niet enkel een fysische verschijning en een visuele waarde bezit, zij heeft een psychologische impact en is verbonden doorheen de cultuurgeschiedenis met tal van symbolische betekenissen. Ook bleek dat er een innig verband bestaat tussen de kleur en het materiaal waarop zij is aangebracht. Een soort natuurlijke verbondenheid kan tussen beide worden ontdekt, een overeenstemming in wat we, uit onmacht om het fenomeen met taal precies te vatten, hun klank zouden kunnen noemen.

De ontwerper


Op de tekentafel van Renaat Ramon ontstaan niet alleen de ontwerpen voor de beelden en de reliëfs maar ook die voor meubels en juwelen. Sobere, strenge, tot hun functie en essentie herleide tafels en stoelen zetten de traditie van het modernisme voort, van de principes, die door de meesters van Das Bauhaus en de kunstenaars van en omheen de Nederlandse De Stijl-beweging werden geformuleerd en toegepast. Ook de juwelen tonen de consequente toepassing van de beginselen van de modernistische design en sluiten aldus onmiskenbaar aan bij de creaties van groter formaat.
Heel wat architecten en ontwerpers met faam hebben ongewoon boeiende creaties op papier of in maquettevorm gerealiseerd. Om praktische, financiële of andere redenen kwam het niet tot een uitvoering. In het geheel van hun oeuvre blijven die concepten, voorstellen en ideeën van wezenlijk belang en werden zij vaak uitgangspunten en inspiratiebronnen voor een bevlogene uit de volgende generatie.
Drie projecten van Ramon dienen beslist in het overzicht van zijn levenswerk te worden opgenomen: het “Ontwerp voor het Museumplein in Amsterdam” (1988), het project voor het Belgisch Paviljoen van de Expo in Sevilla (1990), in samenwerking met de architecten C. Mulder en J. Zerck ontworpen, de auto voor het jaar 2005 “Aristarchos” (1993-1994).

De graficus


Het grafische werk van Renaat Ramon is in de loop van de jaren een omvangrijk luik in het oeuvre geworden. Serigrafieën, blinddrukken en digitaal uitgewerkte tekenbladen komen voor naast boekomslagen en erg originele nieuwjaarswenskaarten.
Zijn visuele poëzie is het merkwaardige resultaat van het dubbeltalent graficus-dichter. In de bundels Ongehoorde gedichten (1997) en Color-field poetry (1999) heeft de literaire begaafdheid een volkomen fusie aangegaan met de beeldende scheppingskracht. Het dubbeltalent is vervloeid in creatieve vindingrijkheid tot een zuivere eenheid. Dit maakt de bundels tot belangrijke publicaties op het gebied van de beeldende dichtkunst - of de poëtische grafiek? - in de Nederlanden.
De thematiek is niet onder één noemer te vangen. De “teksten” staan in relatie tot de wiskunde, de poëzie, de opvattingen over beeldende kunst, de pythagorische ideeën en stellingen en ook met enkele artistieke en literaire verschijnselen die niet zo direct Ramons geestdrift opwekken: de overproductie van het gedrukte woord en het chaotisme als strekking in de actuele beeldende kunst. Terwijl de wiskunde en de meetkunde aan de graficus de bases verlenen voor zijn constructivistisch, op de maat en de evenredigheid gebouwd werk, vindt de dichter inspiratie in de getallen, symbolen, tekens en formules van de mathematica maar evenzeer in de magie van een enkel woord. Ook de letters blijken in hun structuur onvermoede beeldende mogelijkheden te bezitten. Wanneer ze, zoals bij Ramon, op gelijkwaardige grondslag met het wis- en tekenkundig materiaal hun visuele eigenschappen etaleren, beschikt de dichter-graficus over een verrassend rijk en origineel arsenaal.
De twee bundels brengen bladzij na bladzij boeiende visuele informatie, intelligent gebruik van tekens en symbolen, merkwaardige betrekkingen wiskunde-poëzie, meetkunde-poëtica, spirituele denkoefeningen, grafische, tekenkundige en typografische verrassingen en een ongewoon zuivere, tot het einde volgehouden gave beelding. (afb.3 en 4)

De essayist


Als jongeling had Ramon al grote belangstelling voor de literatuur en was hij een verwoed lezer. Tijdschriften ook boeiden hem. Dat bleek toen hij medeoprichter en redacteur werd van Betoel, een “marginaal tijdschrift voor literatuur” (1971-1973) en van Radar, een “tijdschrift voor literatuur, kunst en kritiek” (1975-1982). Hij was ook redacteur van het “letterkundig” tijdschrift Diogenes (1984-1992).
In de genoemde tijdschriften en ook nog in De Tafelronde, Kruispunt, Gierik, Vlaanderen en vooral Poëziekrant ontplooide hij zijn schrijftalent voor de recensie en de studie. Eruditie, belezenheid en grondige kennis van de Nederlandstalige en de Franse literatuur gaan erin samen met ernstige en overwogen analyse van de teksten en situering van de context waarin de literaire creatie is ontstaan. De grotere studie en het essay kregen vorm in de publicatie van de VWS-Cahiers over Remy de Muynck/ Saint-Rémy, Fernand Bonneure, Lodewijk van Haecke, Jaak Fontier, Louis E. De Mey, Thomas Van Loo, Fernand Lambrecht, Jan Baptist Jozef Hofman, Johan Sonneville, Hendrik Carette, Bert Popelier, Auguste de Maere d'Aertrycke, Jooris Van Hulle en in de monografie Jan van der Hoeven: de grote reizen der woorden, VWS, 1993). Voor de prestigieuze reeks “Dichters van Nu”, uitgegeven door het Poëziecentrum Gent, verzorgde hij een bloemlezing uit de poëzie van Jan van der Hoeven (2000).
Een opmerkelijke prestatie werd de samenstelling van Geschreven tijd (VWS, 2005). Ramon heeft in die studie het leven vastgelegd van de literaire en semi-literaire tijdschriften in West-Vlaanderen die gedurende twee eeuwen (1805-2005) verschenen zijn. Het 259 bladzijden tellende boek biedt een summum aan informatie over een van de belangrijkste aspecten van de literaire bedrijvigheid in onze provincie en veronderstelt een intensief en geduldig speurwerk. Niet minder dan 68 tijdschriften is de auteur op het spoor gekomen. De verwerking van een overvloed aan documentatie leidde dankzij een sterk ontwikkelde zin voor synthese tot een leesbaar en overzichtelijk boek.
De opgegeven titels in dit hoofdstukje over de essayist wijzen erop dat Ramon niet enkel de eigentijdse literatuur volgt en kent maar ook voor de literaire geschiedenis een meer dan gewone belangstelling bezit.

De dichter


Benevens visuele poëzie schreef Renaat Ramon woordpoëzie. Hij nam echter de tijd vooraleer met een eerste bundel naar buiten te treden. Dat debuut uit 1976, Oogseizoen getiteld, samen met Ansichten (1980), beide verschenen in de Poëziereeks Contramine, Flandria Fabulata (1983) en Noodweer (1987) geven een duidelijk beeld van een dichter, die op het eerste gezicht afstandelijk blijft, lyriek en emotie wantrouwt, de ironie niet schuwt, zich bewust is van het relatieve van al wat des mensen is, maar dan plots, met een verrassende wending of omslag, zijn betrokkenheid toont, een diepe relatie onthult met de medemensen, de maatschappij, de gebeurtenissen in de wereld. Geleidelijk ontdekt de lezer een filosofische instelling, een positie in de wereld en een houding in de tijd die deze zogenaamd anti-romantische en onderkoelde parlando-poëzie telkens voedt en omkeert, scherpte en snede geeft.
De in 2004 verschenen bundel Rebuten toont hoe de continuïteit van een visie de drang naar vernieuwing en verruiming geenszins uitsluit. Met 35 briefgedichten richt de auteur zich tot bekende en minder bekende figuren uit de Oudheid en de eerste eeuwen van onze tijdrekening. Terwijl hij een aantal ideeën, daden of standpunten van de historische en legendarische figuren - dichters, politici, historici, exegeten en apologeten - reveleert, gispt en vermaant, looft, verwerpt of prijst de briefschrijver hun opvattingen, uitspraken en daden. Heden en verleden worden aldus op elkaar betrokken, het vroegere denken en doen met actuele kritische zin geëvalueerd. Deze in de directe jij-vorm gestelde gedichten, rijk aan allusies, persiflages, citaten en referenties, zijn ritmisch gesneden in verzen van ongeveer dezelfde lengte (al is er ook monostichon bij) en lezen bijzonder vlot. Een korte biografische notitie over elk van de 35 figuren zou kunnen bijdragen tot een nog ruimer begrip van de lezer.
Ramons meest recente bundel Geheim Besogne (2006) vertoont een strenge structuur: 2, 8 x 4 gedichten en opnieuw 2. De titel geeft een ironisch knipoogje naar het verleden. “Geheim Besogne” onthult van Dale, is de “commissie uit de gewesten der Republiek voor buitenlandse zaken”. Ramon zal ongetwijfeld ook hebben willen refereren naar de al met al steeds wat mysterieuze bedoening van het poëzie schrijven: rede die zich verbindt met vele vormen van magie, met de opvluchten van de verbeelding en de dansen van de dromen. De 36 gedichten onthullen in vers na vers een origineel dichterschap met vele facetten en gevoed door talrijke bronnen van wetenschap, kennis, beschouwing, taalvermogen en fantasie.