JAAK FONTIER – 2010 - Uit: Poëziekrant, jg. 34, nr 2, maart-april 2010, p. 63-66.

Sober en cool DUBBELTALENT 

Dubbeltalenten die schrijven en beeldhouwen, schilderen of tekenen, beoefenen meestal de disciplines van het woord en de beeldende kunsten niet even intensief. Zij munten ook niet in dezelfde mate uit als schrijver en als beeldend kunstenaar. Renaat Ramon lijkt het juiste evenwicht tussen beide disciplines te hebben gevonden. R + R = Renaat + Ramon = beeldend kunstenaar + dichter = dubbeltalent.

Wie de visuele poëzie ziet die Renaat Ramon in de drie bundels Ongehoorde gedichten (1997), Color Field Poetry (1999) en Zichtbare stem - Visible voice - Voix visible - Sichtbare Stimme (2009) publiceerde, kan besluiten dat hier het volmaakte evenwicht werd gevonden tussen de beeldend kunstenaar en de dichter. In zijn recentste bundel vloeien de twee creatieve bronnen van het dubbeltalent opnieuw perfect samen in de eenheid van een poëtisch-grafische beelding op elk van de rechterbladzijden. De visuele poëzie lijkt hier het ideale medium, de voor de hand liggende oplossing om het dubbeltalent poezie-beeldende kunst optimaal te activeren en in een ongewoon vruchtbare symbiose te ontplooien. De visuele poëzie van Ramon situeert zich niet ‘between poetry and painting’ maar realiseert de perfecte samenvloeiing van ‘poetry and drawing’.

Tekenmogelijkheden
Ramon is gefascineerd door de tekenmogelijkheden van het alfabet, maar tot de specifieke formele kenmerken van zijn concreet-visuele poëzie behoren ook het frequente gebruik van niet-linguïstische codes, vooral van cijfers en wiskundige formules en het spelen met de visuele overeenkomsten tussen (Romeinse) cijfers en letters. Ramon dicht in tekens, stelt Erik Slagter in zijn inleiding tot de bundel Ongehoorde gedichten, ‘hij gaat boven alles uit van de klassieke mythe over het ontstaan van de wereld. Die wordt in zijn visie niet teruggebracht tot het woord, maar wel tot een cijfermatig kosmisch principe. Gelijk een kosmograaf ontwerpt hij nu, na het totale fiasco van de fysieke taal, op het substraat van het alfabet, een systeem van tekens. De taal is, met Chomsky, weer spiegel van de geest. Haar tekens zijn nog vrijwel uitsluitend ontleend aan de exacte wetenschappen.’ Het valt op dat de modernist (en bij wijlen postmodernist) Ramon graag gebruik maakt van klassieke strofische vormen. In Ongehoorde gedichten treft het geheel uit doodshoofden bestaande ‘Kwatrijn’; in ‘O, Euclydes !’ volgen driehoek, cirkel en vierkant het rijmschema van een sonnet. Color-field poetry is formeel zelfs geheel op de sonnetvorm gebaseerd. Deze bundel telt naast vier ‘zwarte’ ook tweeëntwintig ‘kleursonnetten’. De kleurstelling is deze die Ramon ook in zijn beeldend werk bezigt: geel, groen, grijs en paars. G.J. de Rook bezorgde een grondige structuuranalyse van deze reeks die in dit blad werd gepubliceerd. (1)
Jan van der Hoeven wees op de originaliteit van Ramons’ demarche: ‘Deze mutatie van een specifiek literair-historische vorm naar een quasi autonome grafische orkestrering is binnen de evolutie van de visuele poëzie een unieke ingreep. De combinatie van Ramons bekend geometrisme met zijn intelligente taalironie genereert hier een subtiele maar ook ultieme realisatie. ( ) Het sonnet, dat door zijn historiciteit tot icoon geworden is, kreeg nu een iconografische dimensie van een andere orde. Binnen de geschiedenis van de visuele poëzie een verrukkelijke vondst.’ (2)
De vier inleidende ‘zwarte’ sonnetten van deze bundel kregen ‘Blinde stem’ als titel, een gepaste naam voor concrete poëzie die zich situeert op een abstract niveau. De nieuwe bundel waarin, dixit Jooris van Hulle in zijn inleiding, ‘de grenzen van de visualiseerbaarheid van de stem’ worden verkend, heet dus antagonistisch Zichtbare stem. Hij telt vijftig gedichten die in het colofon empirische gedichten worden genoemd. Dat duidt er op dat de dichter zich niet uitsluitend met formeel-esthetische aspecten van de taal bezig houdt maar ook met de maatschappelijke realiteit. Kritiek, ironie en engagement zijn hem nooit vreemd geweest.

Alfabetisme
Het motto dat Ramon het eerste deel van zijn bundel Zichtbare stem heeft meegegeven, een uitspraak van Victor Hugo: ‘La société humaine, le monde, l’homme tout entier est dans l’alphabet. L’alphabet est une source.’ Bij het bezien van dit eerste deel, veelzeggend ‘Alfabetisme’ genoemd, komt de kijker, na de verrassing en de directheid van de informatie, ertoe de werkwijze te onderzoeken. Herhaling gecombineerd met vergroting, suggestie van perspectief, nevenschikking, geleidelijke, mathematisch bepaalde versmalling of verbreding van elementen zijn simpele maar hier wel met ongewone vindingrijkheid toegepaste tekentechnieken. De op de linkerbladzijde aangebrachte woorden - Grandissement, Dialogue, Ivolutie, Umlautwelt - staan telkens in een zinvol verband, nu eens ironisch, dan suggestief, elders eerder zuiver vormelijk, tot de grafismen. Het taalkundig-grafische in het tweede deel, ‘Ad infinitum’, wil oproepen dat wat zonder grens is, zonder einde. De @ van de computertaal trekt zijn staart spiraalvormig verder in de ruimte. De 26 letters worden door de ‘Big bang’ de kosmos ingeslingerd. Het ‘Alfaversum’ is een door het universum resonerend alfabet.
‘Promenade’ brengt de wandelaar naar het onbekende, als het al niet op de weg is naar het onbereikbare. ‘Pro Memorie’ beeldt streng visueel met de vier letters van het woord echo de weerkaatsing uit van het geluid. ‘Words words words’ ironiseert het nooit eindigende geklets van de mensheid dat oplost in wol-kigheid. ‘Concrete lyriek’, het derde deel van de bundel, kreeg een motto mee van Franz Kafka. De idee ‘Erst in der geordneten Welt beginnt der Dichter’ doordringt al sedert het debuut in de jaren zestig het werk van Renaat Ramon. Zijn poëtische en artistieke opvattingen worden in dit deel opnieuw visueel vertolkt met vormen, letters, wiskundige, metrische en symbolische tekens. Geometrische structuren, verwijzingen naar bekende dichters, sober kleurgebruik, een los en ludiek spel met letters zorgen voor afwisseling en stimuleren zowel het denken als het kijken. Ook hier treffen we weer een paar geijkte strofenvormen aan: ‘Formule’, opgebouwd met de vier elementair rekenkundige tekens en ‘Carte blanche’ met de vier symbolen van het kaartspel zijn zorgvuldig gecomponeerde sonnetten. Uniek is ook ‘Le quattro stagioni’: met weerkundige tekens evoceert Ramon in vier haiku de vier seizoenen. Gezien de titel kan niemand de knipoog naar Vivaldi ontgaan. Dat de constructivist Ramon gefascineerd is door ‘vier’ – het cijfer, het vierkant, de kubus – daar heeft Alain Delmotte reeds op gewezen. (3)
De symbiose van woord en beeld wordt nog versterkt door het feit dat de dichter graag referenties beeldt. Dat is o.m. het geval in ‘Voient-elles Rimbaud ?’ dat, uiteraard in kleur, het gedicht ‘Voyelles’ visualiseert en in ‘Hommage à Mallarmé’, een teerlingworp die zich geheel aan de wetten van het toeval onttrekt. Dit gedicht is misschien de meest pregnante uitdrukking van Ramons poëtica. In zijn essays ‘Ramon, le maître des signes’ heeft Alain Germoz zijn filosofie geëxpliciteerd: ‘Comme Einstein, Ramon ne peut croire au hasard. L’alphabet n’est que l’apparence qui cèle la réalité profonde du monde des physiciens régenté par les mathématiques. Présenter les mathématiques et la poésie comme des entités antinomiques relève d’une barbarie intellectuelle encore fréquente à laquelle, par l’ensemble de son œuvre, Ramon oppose le nécessaire démenti. Tout y est structuré dans un ordre cohérent qui, en deux ou en trois dimensions, s’inscrit dans une même philosophie antichaos.’ (4)
Een geestige ‘Hommage à Apollinaire’ (en 12 andere empirische gedichten) treffen we aan in het eveneens recent verschenen opusculum Lingua franca (2009).

Sober en cool
In het vierde deel van Zichtbare stem, ‘Face & Mind’ verschijnt de figuratie en is de schrijver en dichter aanwezig in een meer persoonlijke benadering, concreter, niet, zoals in de vorige delen, in de heel streng doorgevoerde abstractie. Maar ook hier blijft het figuratieve element bijzonder sober en cool: een summiere, lineaire omschrijving van het hoofd, het hoofd als drager van de hersenen, het brein, baken van het verstand, het denken, de beeldende creativiteit en de poëtische fantasie (‘Brainstorm’, ‘Poeta metafisico’). In niet mindere mate echter ook de plaats waar het denken het onbekende ervaart, het raadsel, de onoplosbare tegenstelling (‘Unknown’, ‘Voyant/Voyeur’), de limieten van het menselijke bestaan (‘C.V.’). De bundel eindigt met ‘Beeldgericht’, een tiendelige cyclus met dezelfde visuele directheid en consequentie als in de voorgaande delen wordt getoond. Het symmetrische ‘Oogrijm’ berust op de werking van de complementaire kleuren rood en groen, maar ook op het subtiele wentelen van de cirkels, de opposities van de kleuren, van de horizontalen en de verticalen, de literaire referentie ‘Monologue intérieure’ op de herhaling van het mondmotief, zodat de volmaakte werking en vooral de nooit eindigende roterende beweging van de cirkel de bedoelingen onthult. De censuur krijgt een tik in het naar de klassieke oudheid verwijzende ‘Venus Pudibonde’ (5), ‘Mars’ suggereert de dreun en de depersonalisatie van hen die moeten marcheren, ‘War & Victory’ zegt meer dan vele woorden waar oorlog en overwinning uiteindelijk op uitdraaien. Op de achterflap torst Ramon als een Atlas de wereldbol, vol van de letters van ons alfabet. Hoe zwaar de last ook lijkt, de dichter van de bundel bleek 132 bladzijden lang in uitstekende conditie te verkeren. Over de interactie van beeldende kunst en literatuur, de combinatie van visuele en semantische elementen zijn in de loop van tachtig jaar talloze studies verschenen. Theoretici hebben vele indelingen en namen bedacht: concrete poëzie, visuele poëzie, visie-poezie, objecteve poëzie, mechanische poëzie, conceptuele poëzie, intermediale poëzie. Wat schrijft en beeldt Renaat Ramon? Het is van geen enkel belang: termen en theorieën worden volkomen vergeten door de bezitter en genieter van Zichtbare stem.

(1) G.J. de Rook: ‘Kleurvelden. Nieuwe poëzie van Renaat Ramon’ in Poëziekrant, jg. 25, nr. 1, jan-febr. 2001, p. 18-21.
(2) Jan van de Hoeven: ‘Color-field poetry: de stille sonnetten van Renaat Ramon’ in: Kreatief, jg. 34, nr. 2, 2000, p. 127-128.
(3) Alain Delmotte: ‘Renaat Ramon. Geen middelen van bestaan en ook geen reden’, VWS-Cahier 195, 1999.
(4) Alain Germoz: ‘Ramon, le maître des signes’ in Archipel 19, 2002, p. 5-7 en Archipel 20, 2002, p. 33-47.
(5) Voor Ramons confrontatie met de antieke wereld, zie Agnes Caers: ‘Renaat Ramon, le Renaissant’ in Archipel 25, 2007, p. 11-31.