JAN VAN DER HOEVEN – 1998 - Uit: Kreatief, 1998-2, p. 127-128.

Het ‘Getaal’ van Renaat Ramon 

Onder de noemer ‘Praxis’ sloot Renaat Ramon zijn gedichtenbundel Noodweer (1987) af met een twaalftal fijnzinnige en pertinente pictogrammen. Voor de ingewijden in de avant-gardeliteratuur niet direct een verrassing. Ramon had immers o.a. in de tijdschriften De Tafelronde en Radar al laten blijken dat de ‘bon usage’ van de taal kon uitgebreid worden via grafisch-picturale ingrepen. We zouden kunnen stellen dat betekenissen aldaar eerder door ‘betekeningen’ werden gegenereerd en niet langer door een traditionele versvorm waarin het woord via zijn associatieve context betekenisgevend was.

In zijn Ongehoorde Gedichten gaat Ramon door met zijn exploratie van de grafischspatiale expressiemogelijkheden van de taaltekens. Zijn demarche gaat uit van de evidentie dat het schriftbeeld in eerste instantie een beeld is, een systeem van tekens die, los van hun gecodeerde bestemming binnen een bepaalde syntaxis, een nieuwe betekenisruimte kunnen scheppen. Dit veronderstelt een ‘ars combinatoria’ waarin de ruimtelijke elasticiteit van de taaltekens zich leent tot een integratie binnen taalvreemde componenten, die bij Ramon bij voorkeur uit de geometrie worden geselecteerd.

Met deze symbiose van de ons vertrouwde letter- en cijfertekens met extra-linguïstische elementen construeert de dichter een reeks kijkdichten die Erik Slagter, auteur van een doordachte inleiding, terecht ‘Denkbeelden’ noemt. Het resultaat van deze operatie is, zoals zoveel avant-gardewerk, een terugkeer naar de oorspronkelijke betekenis der termen. In het denkbeeld immers verwijst een ‘figuurlijke’ taal naar een ‘letterlijke’ betekenis. In zijn semiosis, zijn tekengebruik, wijkt Ramon niet af van de stijlcomponenten die zijn plastisch werk karakteriseren. De heldere en dwingende rechtlijnigheid, gericht op essentie en evenwicht, zijn ook hier bepalend voor de iconociteit van deze ‘Dichtung’. Ramon isoleert, cirkelt, construeert, creëert reeksen die binnen zijn rigoureus concept toch nog aardig wat variatie brengen. Liever dan te polemiseren ironiseert hij, eerder dan te expliciteren reduceert hij. Als er in zijn dooreengeschud alfabet wanorde en willekeur dreigen, corrigeert hij berispend: ‘Comment Ramon?’

Kan men de Ongehoorde Gedichten onder de veelzijdige uitingen van visuele poëzie onderbrengen, zij maken geen expliciete aanspraak op de kwalificatie concrete poëzie. Ze zijn strict gezien niet geconcipieerd als een mededeling van eigen structuur, maar veeleer als ideografische substituten voor een kritische of louter esthetische reflexie. Ze kunnen dus terecht de bijhorende en meestal snedige titels in de marge niet missen.

Met zijn bijzonder fraai uitgegeven boek verstevigt Renaat Ramon zijn plaats bij de vermetele maar intelligente voorhoede van het dichtersbent in de Nederlanden. Hij houdt een continuïteit aan de gang van bezinning over de taal en haar onvermoede expressiemogelijkheden. Een verademing bij het pijnlijke proces van simplifiëring waar zoveel actuele poëzie aan laboreert. Verschenen precies honderd jaar na ‘Un coup de dés jamais n'abolira le hasard’ van Stéphane Mallarmé, met wie het visuele experiment binnen het modernisme begon, krijgt het werk er nog een verheugende symbolische betekenis bij. Ramon bevestigt het: ‘L'essence de l’art est de figurer le mystère et non de l’expliquer’ (J.S. Péladan).