JAN VAN DER HOEVEN – 1999 - Uit: Op het Kruispunt, jg. 40, nr. 18, sept. 1999, p. 96-97.

ONGEHOORDE GEDICHTEN

De publicatie van Renaat Ramons Ongehoorde Gedichten kon voor velen wel eens de indruk van een verschijning wekken.
Als slachtoffer van handig opgezette commerciële strategieën krijgt de gemiddelde poëzielezer een almaar eenzijdiger wordend beeld van de actuele Nederlandstalige poëzie opgedrongen. Geen revoluties meer, geen manifesten, geen strekkingen die met de nodige dosis overmoed in verhitte debatten worden toegelicht. Indifferentie alom, en een vrij egaal verlopende (over)productie naar grootmoeders wijze.
Men krijgt de indruk dat de inzichten in het fenomeen poëzie, verworven via de diverse aspecten van het modernisme, de semiotiek en de linguïstiek zonder gevolg bleven hij de praxis van tal van hedendaagse dichters. De restauratie van het establishment lijkt elke zin voor een creatief risico in de kiem gemoord te hebben.
Ook schijnt een opvallend gemis aan kennis van het verleden en van het dialectische verloop van de geschiedenis der letteren tot een soort argeloze poëzie te verleiden, waarbij men zich geregeld aan de vooravond van de Tachtigers kan wanen.
Men voege daar enige xenofobie aan toe ten opzichte van wat zich over de grenzen heen voordoet en men beschikt over de essentiële ingrediënten om een gezapige, caloriearme en taalvreemde poëzie te serveren.

Ramon, die jaren geleden zijn zoektocht naar een nieuwe taal in de tijdschriften Radar en De Tafelronde vooropstelde en intussen als beeldend kunstenaar een originele identiteit wist te demonstreren, heeft zich nu nadrukkelijk naar de ei-sprong en vaak naar de o-sprong gekeerd.

Uitgaand van de ruimte als tekstconstituent gegeven heeft hij voor een nieuw schrijfspoor gekozen, een grafische articulatie waarin spel, kritische reflexie, ironie binnen een geometrische structurering van letters, leestekens en cijfers een eigensoortige communicatie genereren. Hier dient nochtans te worden aangestipt dat bij dit communicatieve proces een bewuste taalexploratie mede aan de gang is. Aldus wordt de fysionomie van onze taaltekens une réapparition à un autre endroit.
Een bescheiden aangewende gestiek waarbij expansie, reductie, metriek, rijen en spatiëren vormbepalende factoren zijn, bezorgt deze ‘denkbeelden’ een gevarieerde, speelse maar bedwongen dynamiek. Het heldere evenwicht dat Ramons beeldwerk kenmerkt, bepaalt ook hier zijn rechtlijnige concept.
Zonder nadrukkelijk te domineren wijzen geometrische coördinaten de weg. Onze taaltekens zijn immers, althans in hun kapitalen, puur geometrische constructies. In combinatie met symbolische tekens, speelse kalligrafische fragmenten en gemanipuleerde flarden tekst zijn Ramons betekenaars in de eerste plaats grafisch van aard. Hun zingeving is niet altijd meteen evident. Net als bij een discursief verlopende tekst wordt de kijker-lezer tot een ruim interpretatievermogen uitgenodigd. Het gaat hier niet om een louter esthetiserende ars combinatoria, maar om een tekstgebeuren waar polemische standpunten en kritische vingerwijzingen subtiel en niet zonder ironie een substantieel deel van uitmaken. In die zin dienen postlettrisme, postmodernisme en neoclassicisme respectievelijk op de bladzijden 27, 29 en 31 te worden gelezen.
De grafisch-spatiale aard van dit soort poëzie, met haar eigen gelding en syntaxis, waarbij het discursieve het aflegt ten opzichte van de directe apperceptie, de all-at-once-ness, calculeert het verlies in van de fonische waarden van de taal. De grafische dominantie impliceert meteen zelfs betekenisverlies van termen als klinkers en medeklinkers. Binnen het concept van de ‘exclusieve’ visuele poëzie zwijgen de tekens. De blanco ruimte, de spatie, het wit tussen de woorden (Mallarmé) wordt een constitutief gegeven dat de stilte helpt te accentueren. Ramons gedichten dragen derhalve terecht de kwalificatie ‘ongehoord’ mee.
In tegenstelling tot de verbofonische poëzie, die zich toelegt op de specifiek fonische aspecten van de taal, doet de concrete poëzie er het zwijgen aan toe. Voor Eugen Gomringer, theoreticus en practicus van concrete gedichten, is de stilte om en rond zijn Konstellationen een essentiële betekenisdrager.
Wat bij nader toezien hij Ramon opvalt is het vaak terugkerende teken O. Het draagt in zich de merkwaardige meerduidigheid van letter, cijfer en punt. Wellicht fungeert het nog het meest als symbool van een volmaakt sluitende icoon dat begin noch einde kent en naar binnen of naar buiten gekeerd niets van zijn identiteit inboet.
Met zijn bijzonder fraai uitgegeven Ongehoorde Gedichten zet Ramon met talent en intelligentie de traditie voort van een intrigerende beweging die inderdaad concreet werd met het manifest dat Övind Fahlström in 1953 uitgaf. Aldus zet Ramon met succes zijn taalexploratie verder en vat hij post in de voorste gelederen van de literatuurvernieuwers.
Een zeldzame vogel die ontsnapt is aan de volière van de actuele zelfgenoegzaamheid en chronische middelmatigheid.