JOHAN DE BELIE - 1998 - Uit: De Hoogste Tijd, jg. II, nr. 3, juni 1998, p. 25-26.

Een poëziebundel die zich aankondigt met citaten van de Franse Roemeen Cioran en van Wittgenstein, dat moet een bundel zijn die een filosofie in zich draagt. Een kolfje dus naar de hand van onze recensent.

 

Vierkantswortel uit het oneindige.

 

De “Ongehoorde gedichten” van Renaat Ramon.

 

Met die twee citaten verwijst Renaat Ramon voor zijn nieuwe verzameling beeldteksten onmiddellijk naar de problematiek die essentieel geworden is in zijn werk: de spanning tussen woord en beeld, de onmacht van het woord, de kracht van het beeld, maar meteen en desondanks de wisselwerking tussen beide. Al bewijzen citaten niet veel natuurlijk en haal ik met gemak een citaat uit die reuzebundel van Cioran (Cahiers 1957-1972) dat de gedichten van Ramon dreigt onderuit te halen: “J’appelle poésie ce qui vous frappe comme un couteau au coeur". Maar ook weer niet natuurlijk, want al ligt de schijn op de loer dat de bladzijden van Ramon kunnen verdrinken in de filosofische achtergrond en steriliteit, toch slagen zij er vaak in een zeer concrete en directe emotie op te roepen.

 

"Ongehoorde gedichten" is de titel, en inderdaad laten deze teksten zich niet horen omdat ze zich niet in klank - in ieder geval niet in taalklank - laten omzetten. Het zijn beelden die een titel meekregen, titels die verduidelijken, commentariëren, ironiseren. De taal is beeld geworden, het woord is geabstraheerd. Al dringt de vraag zich op, na het lezen of bekijken van deze gedichten (want van deze benaming wordt blijkbaar opzettelijk toch geen afstand gedaan hoewel net zo goed naar het grafische aspect als zijnde meer essentieel kan verwezen worden, los van de literaire impact), of de klassieke woordbetekenis niet abstracter is geworden in deze tijd en het beeld (letter, cijfer, leesteken los uit een context gehanteerd) nu juist des te concreter en veelzeggender geworden is.

 

Renaat Ramon, medewerker aan Poëziekrant, publiceerde eerder vier bundels poëzie, en is ook "beeld"houwer. Deze recente bundel is een perfecte symbiose van wat hij met taal en beeld, evoluerend, uitdrukt. Dat hij ook essayist is, en dit vanuit een sterk gefundeerde filosofie doet, toont hier een gedicht als "postlettrisme" dat het alfabet in gevierendeelde letters ten tonele brengt, of "postmodernisme" waarbij de nul (het nietszeggende) in een serie wijkende en groter wordende haakjes wordt geplaatst. Met de Griekse lettertekens bouwt hij twee zuilen op en titelt hen "neoclassicisme". Filosofisch, poëtisch, maar vaak ook ironisch of ronduit grappig zijn veel van deze beeldgedichten. Zelfs zelfironie waarbij kritisch wordt teruggeblikt op de pogingen om via klassiek taalgebruik emoties te verwoorden zoals de chaotische letterverzameling in trechtervorm met annotatie "Comment j'ai transcrit certains de mes poèmes". Waarbij dient opgemerkt te worden dat, hoe theoretisch ondersteunend ook, deze bundel een luchtige sfeer ademt, onderhoudend is. Zodat de term cartoon (en zelfs droedel) niet veraf blijkt te liggen.

 

Met "Ongehoorde gedichten" poogt Ramon de taal in haar essentie te herstellen, haar te herleiden tot het wezenlijke. Taal als teken. Hij reageert op de verkrachting van het woord door het los te scheuren uit zijn alledaagsheid en het op een nieuwe wijze onder de aandacht te brengen. Hij trekt de vierkantswortel uit het oneindige en benoemt dit als poëzie. Waarmee hij tot de kern doordringt.