JOORIS VAN HULLE – 2002 - Uit: Kunsttijdschrift Vlaanderen, jg. 51, nr. 2, maart-april.

 

Woord en beeld vormen de sokkel waarop Renaat Ramon (°1936) een veelzeggend en boeiend oeuvre heeft opgetrokken. Als dichter-essayist en als beeldhouwer blijft hij geduldig, langs wegen van geleidelijkheid, de grenzen verkennen van een creatief universum waarin voor hem slechts één regel van toepassing is: die van de originaliteit. Ramon als dwarsligger: in een tijd die zweert bij anekdotiek, bij het vluchtige hic et nunc, graaft hij als een archeoloog naar de verborgen lagen waar woord en materie voor zichzelf spreken.

De poëzie van Ramon ontwikkelt zich via een dubbelspoor. In de lijn van zijn plastisch werk worden woorden herleid tot tekens. Een ‘ongehoorde’ tekentaal (in 1997 verscheen zijn bundel Ongehoorde gedichten), waarin getal en woord, geometrie en verbeelde klankstroom tot een bijna perfecte harmonie vervloeien. Daarnaast zoekt Ramon, bevrijd als hij zich wil weten van de dwingende wetmatigheden van het bestaan, nadrukkelijk aansluiting bij de Klassieke Oudheid. In het aan hem gewijde gedicht uit de bundel in voorbereiding Rebuten prijst Lucilius Balbus ‘maat, rede en evenwicht’.

De drie-eenheid van maat, rede en evenwicht vormt ook het fundament van Ramons beeldend werk. In hun ruimtelijkheid, geconcipieerd vanuit de dialoog tussen geometrische vormen (bol, vierkant, cilinder, kubus, ovaal en balk), vertellen de beelden geen verhaal, maar worden ze verhaal: dit van een onstoffelijke wereld die er is en er altijd zal zijn.

Het gedicht ‘leeftocht’ (1992) is Ramons artistiek credo, maar evengoed zijn menselijk credo: ‘Behalve / deze woorden / en enkele cijfers / heb ik geen middelen / van bestaan. / En ook geen reden.’