JOORIS VAN HULLE – 2004 - interview

Met een voorbeeldige regelmaat publiceert Renaat Ramon in Poëziekrant zijn visuele gedichten. Daarom komt zijn bundel ‘Rebuten’ misschien enigszins verrassend over: 35 briefgedichten waarin hij zich richt tot bekende en minder bekende figuren uit de Oudheid en de eerste eeuwen van onze tijdrekening. Een bundel waarin de stem en de persoon van de dichter zelf nooit ver afwezig zijn.

Omdat wij ons laven aan dezelfde bron

- Ervaar je de visuele poëzie en de woordpoëzie vanuit een soort spanningsveld of is het zo dat beide genres elkaar aanvullen?
‘Ik ervaar het zeker niet als een spanning of als een tegenstelling. Ik heb begrepen en aanvaard dat ik voor de helft uit letters en voor de andere helft uit cijfers besta. De cijfers heb ik nodig, broodnodig, om de platonische lichamen te construeren waarop mijn sculpturen gebaseerd zijn. Uiteindelijk heb ik ook met cijfers poëzie gemaakt, zoals blijkt o.m. uit mijn bundel concrete poëzie Ongehoorde Gedichten (1997). Zelfs een sonnet.
Eén van de motto’s in die bundel is de conclusie van Wittgenstein: ‘Ultimately, mathematics is poetry’. Trouwens, de metriek, die van Griekse origine is, is een lineair, welhaast meetkundig systeem, een ritmische afwisseling van lang en kort. Dat is belangrijk. In oosterse culturen, ook in de Egyptische, vallen woord en wereld vrijwel samen, God schept de wereld door het spreken, door zijn wil te uiten. Dat heeft dus ook een auditief aspect. Maar aan de Griekse kosmologie komen geen woorden te pas – het getal is God. De Griekse kunst is, de bouwkunst zowel als de literatuur, maat en ritme. Daar hou ik van. En daarom vraag ik aan Archytas van Tarente: ‘Cijfers sterven niet, en is een welgevormde / formule niet mooier dan een gewelfde vrouw?
Mijn visuele poëzie staat uiteraard tussen de twee disciplines in die ik beoefen, de beeldende kunst en de poëzie. Waar die voor mij aanvankelijk duidelijk van elkaar gescheiden waren, heb ik gaandeweg ervaren dat het ene het andere begon te beïnvloeden: in mijn gedichten maakte ik toespelingen op mijn beeldend werk, en omgekeerd wilde ik o.m. in de titels van mijn beeldenconstructies wel eens verwijzen naar de literatuur. En de visuele poëzie is uiteraard het genre dat beide disciplines verenigt en sterk in het verlengde van de taal ligt. Ik beschouw de visuele poëzie wel degelijk als literatuur, dit dan vanuit de poging de taal te verruimen en een soort nieuwe, universele taal te maken die voor een breder publiek toegankelijk is. Een kritische instelling is daaraan niet vreemd; anderzijds heeft de concrete poëzie in bepaalde gevallen ook een metafysische dimensie’

Situeert het onderscheid zich dan vooral op het vlak van het creatieproces?
‘De visuele poëzie heeft haar wortels in het samengaan van tekst en beeld. Het komt erop aan beide te laten samenvallen. Ik moet trouwens deze wisselwerking, dit identificatieproces in het kader van de geschiedenis van de visuele poëzie waaraan ik momenteel werk, precies trachten te definiëren. Wat mij in de eerste plaats aanspreekt, is die vorm van concrete poëzie die louter met letters, tekst en tekens werkt. Letters hebben trouwens een mooie vorm. Ik weet niet of je kunt zeggen dat een letter op zichzelf een betekenis heeft – ook daar bestaat een linguïstische discussie over - , maar de karakters, de typografische tekens, hebben me altijd bijzonder geboeid. Ik meen dat je door iets aan de letter te veranderen ook iets aan de betekenis kunt veranderen, zonder dat je daarom direct kunt definiëren wat de nieuwe betekenis is. Je voelt dat er een betekenisverandering optreedt en dat is misschien wel de essentie van poëzie, zelfs van kunst. En in wezen zit daar ook een reactie in tegen het misbruik van de ‘gewone taal’ door de politiek, de reclame… en soms ook wel door de dichters zelf.’

De broosheid van woorden, terwijl tekens moeilijker te manipuleren vallen…

‘Het teken stijgt inderdaad boven het gewone woord uit. Ik heb de concrete poëzie overigens verruimd door het invoeren van andere tekens dan alleen lettertekens. Oorspronkelijk gebruikte men binnen de concrete poëzie alleen teksten of letters, terwijl de visuele poëzie meestal een combinatie is van tekst en beeld, verwant aan de collagetechniek. Ik heb er andere codes aan toegevoegd, bijv. mathematische en zelfs weerkundige tekens. Het heeft, zoals Paul Valéry ooit beweerde, geen zin iets te schrijven dat niets aan het bestaande toevoegt.’

Zowel uit je visuele poëzie als uit de bundel ‘Rebuten’ spreekt een nadrukkelijke aandacht voor de vorm, die primeert boven de boodschap, als die er al zou in steken.

‘Ik zou geneigd zijn om hier ‘ja’ op te antwoorden. ‘Boodschap’ is natuurlijk een groot woord, net zoals engagement trouwens, maar het is toch niet zo dat er geen stellingname zou in zitten. Maar in de beroemde discussie over ‘vorm en vent’, zou ik toch kiezen voor de vorm, al weet ik heel goed dat vorm zonder inhoud niet kan, en omgekeerd. Uiteraard spelen hier mijn vorming en mijn bezigheid als beeldend kunstenaar mee, het domein waarin ik in de eerste plaats een strenge vormgeving beoog. Mijn gedichten zijn, de enkele keren niet te na gesproken dat ik in de visuele poëzie de sonnetvorm heb gebruikt, niet gebonden in de klassieke zin van het woord. Vanuit formeel oogpunt primeert voor mij het ritme van de verzen.’

Voor je nieuwe bundel heb je voor de briefvorm gekozen. Nu leven wij in een tijd waarin nog weinig echte brieven worden geschreven….

‘Het is mijn manier om me tot die mensen te richten. Je kunt met mensen die een paar duizend jaar geleden gestorven zijn, een fictief gesprek voeren, maar dat leek mij niet aangewezen. In de Oudheid werden veel brieven geschreven, het was bijna de enige vorm van communicatie. Nu zijn de figuren tot wie ik me richt wel dood, maar voor mijn gevoel leven ze. Ik zou hier kunnen spreken van ‘le commun des immortels’, maar dat zou een vorm van ijdelheid zijn. Dat ze er zijn voor mij, hangt samen met mijn tijdsbesef. Door het feit dat ik met die mensen bezig ben, zijn ze er gewoon en dan maakt het niet uit of ze nu gestorven zijn of niet. In die zin dient ook het motto van de bundel begrepen te worden: in de tekst van Julianus van Egypte antwoordt Pyrrho dat hij er niet zeker van is dat hij dood is, zelfs niet na zijn dood. In ‘Aan Bruttidius’ verwoord ik het heel laconiek als volgt: ‘Je naam leeft, Bruttidius’. Voor mij is dit een essentieel besef: je bestaat, je leeft, zolang je naam leeft.’

Petrarca richtte zich in zijn ‘Epistulae ad familiares’ tot de figuren uit de Oudheid die hij bewonderde. Zijn ook jouw ‘Rebuten’ gebaseerd op dergelijke bewondering, of is er meer aan de hand? 
‘Bewondering voor de klassieke, met name de Egyptische en Griekse beeldhouwkunst en architectuur heb ik van mijn vader geërfd. Deze kunst is, inderdaad, onovertroffen en wellicht ook onovertrefbaar. Dat maakt het maniërisme begrijpelijk. En het maakt ook de beruchte wens van de futurist Marinetti om het Louvre te verbranden begrijpelijk. Zijn woorden werden overigens onlangs door een locale journalist in mijn mond gelegd… Maar ik heb mij wel degelijk afgezet tegen de eindeloze imitatie en variatie van klassieke vormen en geijkte modellen. Zo werd ik een adept van het modernisme, van de revoltes die de eerste decennia van de twintigste eeuw zo boeiend maken: expressionisme, dada, futurisme, abstractie, surrealisme… Ik heb gekozen voor de positieve filosofie van het constructivisme en van De Stijl, die ook een sociaal aspect en een metafysische achtergrond heeft.
Maar gebleven is de kritische opstelling die mijn vorige bundels (Oogseizoen, Ansichten, Noodweer) kenmerkte.’

Hoe ben je concreet te werk gegaan?

‘Rebuten is, meen ik, qua stijl en thematiek een vrij homogene bundel. Maar het is uiteraard niet zo dat ik even ben gaan zitten om eens iets over de Oudheid te schrijven. Dit is de neerslag, het residu, van een langdurige omgang met ‘het klassieke erfgoed’, ook van mijn Griekse expedities. De eerste rebuten werden reeds in 1999 gepubliceerd.
Ja, hoe werkt dat? Je noteert een origineel idee, een anekdote die je treft, je wordt gefrappeerd door de ironie en het bizarre van de geschiedenis… Op een gegeven ogenblik rijgen de regels zich haast onwillekeurig maar ook onweerstaanbaar samen.’

Het valt toch op dat je in je brieven een aantal minder gekende figuren opvoert. Horatius en Sallustius zullen voor velen geen illustere onbekenden zijn, maar van iemand als Bruttidius bijv. kennen we alleen de naam omdat hij geciteerd wordt in de tiende satire van Juvenalis. Waarom heb je geen verklarende annotaties opgenomen in de bundel?

‘Ik vond dat het wat arrogant zou overkomen zomaar alle verklaringen te geven. Ik ga er niet van uit dat mijn lezers niet in staat zijn een naslagwerk te raadplegen. Wie zich een beetje moeite getroost, zal opmerken dat alle personages te traceren zijn. Als een soort compromis heb ik, in afspraak met de uitgever, de verwijzingen trouwens, zoals vermeld op de flap van de bundel, op mijn website gezet (www.geocities.com/renaat_ramon).
De brieven zijn weliswaar onbestelbaar maar toch zijn het vragen en berichten aan tijdgenoten, ze overbruggen een geografische afstand.’

Voor het omslag van je bundel grijp je terug naar een visueel gedicht dat ooit verscheen in je bundel ‘Ongehoorde gedichten’ en waarin teken en taal harmonieus samengaan.

‘Het gedicht was inderdaad heel toepasselijk: het gaat met zijn Griekse lettertekens en de Griekse zuilen over de Oudheid, maar het heet wel ‘postmodernisme’. De tekst zelf is niet leesbaar, ik wilde het abstractiegehalte zo intact mogelijk houden. Het gedicht is trouwens ontstaan voor ik met de ‘Rebuten’ bezig was. Ik heb het nu gerecupereerd.’

Je hebt de gedichten in ‘Rebuten’ alfabetisch gerangschikt naar de bestemmeling, van Archytas van Tarente tot Xenofanes van Kolofon. In het openingsgedicht spreek je de bestemmeling onmiddellijk op een heel directe manier aan: ‘Niets lijkt ons boeiender, o Archytas, / dan het stapelen van cijfers.’

‘Ik creëer door het gebruik van de jij-vorm als aanspreking en verder door de wij-vorm een hechte band met de figuren die ik aanschrijf. Ik wees er al op: die mensen leven echt voor mij, ze zijn me op een of andere manier heel nabij. Het zijn vrienden. Nou ja, niet allemaal.’

Archytas boeit je vooral door de belangstelling die hij had voor de wiskunde….

‘Hier spreekt de constructivist. Voor het Delisch probleem dat in het gedicht ter sprake komt, de verdubbeling van de kubus, algebraïsch eenvoudig op te lossen, vond Archytas een geniale meetkundige oplossing. Zijn denken verbond mechanica en meetkunde. Vandaar dat hij ook praktische toepassing zocht en automaten bouwde. Hij moet erin geslaagd zijn een kunstmatig vliegende vogel te maken. Daarom schrijf ik hem: ‘Je hebt de hemel gemeten, Archytas, / het zand en de zee; een vederloze / vogel gebouwd uit het taaie hout / van de tamarinde – een vogel / die allen op jouw bevelen vloog.’ Hij was zowat de Da Vinci van zijn tijd.

Uit die verzen blijkt onmiddellijk ook je aandacht voor de stijl van de verzen. Je gebruikt allitteraties, binnenrijmen, herhalingen…

‘Le style est le poète même. Een vers moet een eigen vorm van schoonheid hebben. Het gebruik van allitteraties is een aangeboren neiging. Ik tracht ook een natuurlijk ritme te behouden, niet vanuit een streng metrisch schema, maar via een aantal hoofdaccenten dat het vers harmonieus vloeiend moeten maken. Scutenaire zei ooit : ‘Je ne suis pas écrivain, je suis un être sonore.’ Ik geloof ook dat poëzie gemaakt is om te horen. Ook al lees je die stil voor jezelf, dan nog hoor je met je inwendig oor of die goed is of niet. Natuurlijk kan je hier ook gebruik maken van coupures, als die in de tekst van pas komen: een woord kan juist doordat het geïsoleerd wordt, bijvoorbeeld door een gedachtestreep, aan kracht winnen. Overigens: als ik nu een gewone brief schrijf, hoe kort die ook mag zijn, hecht ik wel degelijk belang aan de stijl ervan. Dat is bijvoorbeeld een van de nadelen van de computercommunicatie: je ziet gewoon hoe snel en slordig teksten nu geschreven worden. Het is een soort eenvoudige praattaal geworden.’

In je brief aan Kleanthes van Assos luidt het daarom: ‘Weet je dat men je nu traagheid verwijt? (…) Traagheid: omdat je slechts weloverwogen woorden spreekt.’ Het lijkt op een zelfportret.

‘Ik tracht alleen maar weloverwogen te spreken. Ik heb niet graag dat ik achteraf moet vaststellen dat ik me iets heb laten ontvallen waar ik spijt moet van hebben. Ik geloof dat ik de reputatie geniet, nou ja geniet, een man van weinig woorden te zijn, met veel respect voor Willem de Zwijger. Als dichter kan je trouwens niets anders dan weloverwogen woorden spreken. Vandaar de geringe omvang van mijn werk.’

Met Aristarchos voer je opnieuw een man van de wetenschap ten tonele. Maar hij had wel een beroemde naamgenoot…

‘Aristarchos van Samothrace was een filoloog, een beroemde commentator van Homeros. Hem kon men niets verwijten, hij gaf alleen zijn commentaar en het is dankzij hem dat we nu nog zoveel weten van Homeros. De Aristarchos van Samos tot wie ik me richt, was een wetenschapper pur sang. Hij betoogde dat de zon het centrum is van het heelal. Daarom heeft men hem ook vervolgd, ‘niet de goden heb je beledigd, / maar de mensen. / Je bleef bij je mening – nee, / niet bij je mening, / bij je wetenschap.’ Ook in de Oudheid was het, zelfs binnen een democratie, aangewezen de mening van de meerderheid te onderschrijven.’

Van iemand als Aristoxenos van Tarente schrijf je dan: ‘Vaak, ja al te vaak, Aristoxenos, / denk ik aan jou – meer / dan strikt genomen goed voor mij is.’

‘Ik ben veel met de Oudheid bezig geweest, mijn betrokkenheid was zo intens dat ik soms het gevoel had dat andere zaken ervoor moesten wijken. Ook emotioneel werd ik sterk geraakt. Ik kan me werkelijk ergeren aan zaken die eeuwen geleden gebeurd zijn. Het verslag van Thoukydides over de ondergang van de Meliërs – mede door verraad – raakt mij nog steeds. Het is moeilijk om daar afstand van te nemen. Aristoxenos bewonder ik omdat hij reeds in de vierde eeuw voor Christus een twaalftonensysteem bedacht. En unverfroren beschuldigde hij Plato van plagiaat – hij zou ideeën van Pythagoras gepikt hebben – en Socrates van sofisme.’

Maar dan schrijf je onmiddellijk daarna: ‘Ach ja, wij laven ons nu eenmaal / aan dezelfde bron.’

‘Bronnen had er moeten staan, in het meervoud: de voorsocratische natuurfilosofie, het pythagorisme dat door Aristoxenos verdedigd werd en natuurlijk ook de hengstebron op de Helikon.’

De kerkvader en asceet Basileios ho Megas leefde in de 4de eeuw na Christus. Aan hem richt je de vraag: ‘Staat er niet geschreven / dat wie niet bemint alreeds vertoeft / in het domein van de dood?’ Een pleidooi voor het beleven van de aardse liefde? En met een duidelijke voorkeur voor het archaïsme in ‘alreeds’?

‘Als het mij zo uitkomt, schuw ik het neologisme niet. Maar als ik een archaïsch woord functioneel kan gebruiken zal ik het niet laten. Ik tracht ook mooie oude woorden te behouden. Zou het kunnen dat ik daarin op de goede Marius Cornelius Fronto lijk? En ik pleit in het gedicht voor een vorm van epicurisme, dat me nader ligt dan het ascetisme. En zeker mag je, als je dan wel kiest voor een ascetische levenshouding, anderen niet dwingen je daarin te volgen, zoals Basileios deed. Als ik over hem schrijf: ‘Je weerhield / je discipelen van het vuur’, dan is dat met een dubbele allusie: hij wilde zijn discipelen afhouden van het vuur, de passie van de liefde, maar evengoed van het hellevuur.’

Het beeld van het vuur schraagt zowat de hele bundel.

‘Ja, een van de vier oerelementen, het vuur dat vernietigt en schept. In een bepaalde context is het natuurlijk ook het vuur van de zon. Voor Kleanthes is het vuur goddelijk, hij vereenzelvigt het met de Logos als creatieve kracht. En natuurlijk staat het vuur ook voor het innerlijke vuur, dat samenvalt met de ziel. In zijn bewaard gebleven Hymne aan Zeus, een heel mooi gedicht, ziet Kleanthes de zon als het hart van de kosmos. Daarom verbaast het mij dat hij polemiseerde met Aristarchos, de heliocentrist. Een andere antieke visie ziet alles draaien rond een centraal vuur: aarde, tegenaarde, maan, zon en sterren… Een schitterend denkbeeld toch?’

Een van de sleutelfiguren in de bundel lijkt me Demokritos van Abdera met zijn atomenleer. Zijn inzicht verschafte hem een vreugde die dieper ging dan een standbeeld in marmer hem ooit kon bieden of zelfs politieke macht.

‘Het ware leven is het leven van de geest. De echte vreugde ligt in het inzicht krijgen. Ook zijn filosofie (‘Maar naar waarheid, wij weten het, / bestaan er enkel atomen en is er Niets / zonder oorzaak’) spreekt me heel erg aan: ik heb behoefte aan orde en ik denk ook dat er een fundamentele orde is. De spanning tussen orde en chaos, tussen orde en vrijheid kwam al aan bod in vroegere gedichten en eveneens in een nieuwe bundel die op stapel staat.’

Het motief van de orde, in de zin van maat, rede en evenwicht, komt ook nadrukkelijk aan bod in de brief aan Lucilius Balbus. Je prijst hem, maar anderzijds kan je maar moeilijk begrijpen dat hij in voorspellingen geloofde.

‘Ik geloof niet in een eenzijdige visie op de mens. Daarom zal ik ook nooit mensen snel veroordelen; omdat ze meestal twee kanten hebben. Balbus is in De Goden van Cicero de pleitbezorger van de nuchtere en onthechte stoïcijnen, maar hij betoogt dat de goden ons leven richten en gelooft in voorzienigheid en voorspellingen. Wat mij in de Oudheid heel sterk verbaasd heeft is dat mensen met soms geniale inzichten, zich toch aan wichelarij begeven en er zelfs hun daden, bijv. of ze al dan niet naar het slagveld moeten trekken, laten door bepalen. Typerend is ook de mythe van Palamedes, de raadgever van de Grieken tijdens de Trojaanse oorlog, aan wie ik ook een brief richt, die als man van maten en gewichten een essay tegen het toeval schreef - maar hij lanceerde ook het dobbelspel. Nu boeide Palamedes me ook om het lot dat hem beschoren werd omdat hij eerlijk was: hij ontmaskerde het bedrog van Odysseus, de notoirste schurk van heel de literaire geschiedenis, maar hij heeft ervoor moeten boeten. Vandaar: ‘Alle grote mannen sterven door verraad’.’

Dat is een absolute uitspraak, net zoals die in het gedicht voor Satournilos: ‘niemand is betrouwbaar / die de Waarheid claimt.’

‘Ik schuw inderdaad zo’n uitspraken niet, omdat het ook dingen zijn die ik meen. Mensen die menen de Waarheid te moeten claimen - dat is totalitarisme. Daar zet ik me tegen af. Net zoals ik me afzet tegen alle vormen van intolerantie, zoals die al voorkwamen in de Oudheid en in de eerste eeuwen van het christendom, maar nu evengoed nog. En verder: verraad vind ik van alle ondeugden de grootste.’

Net als over Bruttidius weten we heel weinig over iemand als Demonax. Over hem zijn alleen een aantal uitspraken bewaard die Loukianos opschreef.

‘Uit de anekdoten die dank zij Loukianos’ beknopte biografie bewaard zijn gebleven, blijkt dat de man een cynicus was, die niet veel nodig had om te leven en die men dus ook niet veel kon afnemen. Vandaar dat hij zich heel wat kon permitteren. Van dat soort mensen heeft men, ook nu nog, schrik, vandaar dat ‘de Heren zwegen / als je tevoorschijn kwam’.’

De geschiedschrijver Gaius Sallustius Crispus behoort dan weer tot de canon van de Latijnse literatuur. Toch hang je geen eenzijdig lovend beeld van hem op.

‘Hij is een dubieus figuur. Hij is rijk geworden, waarschijnlijk op de rug van de mensen in Afrika die hij heeft uitgebuit. Hij is later in ongenade gevallen bij de keizer, maar hij is toch rijk gebleven en heeft op een van de Romeinse heuvels een enorme villa gebouwd, omringd door de beroemde tuinen. En dan stelde hij zich op als historicus en moralist. Hij zag, ook letterlijk, neer ‘op de wandaden van de patriciërs, op de parade van de cohorten’. Hij kon geen politieke rol meer spelen, maar om niet alles kwijt te raken, moest hij in zijn geschiedkundige werken de keizer blijven prijzen. Hij was dus effectief ook een ‘horige’ van het systeem.’

Marcus Pacuvius is ook al zo’n dubbele figuur, hij verenigt in zich Zethus en Amfion. Je spreekt hem wel aan als ‘confrater’.

‘Hij verenigde in zich de tegenstelling die zich openbaarde in de zonen van Zeus en de nimf Antiope: Zethus de ruwe jager en Amfion, de lierzanger. Hij was ook een dubbeltalent. Als schilder beoefende Pacuvius ‘de zwijgende kunst’, maar hij was ook dichter. In die zin voel ik me, als beeldend kunstenaar en als dichter, confrater van hem. Overigens had de zeer geleerde Pacuvius de neiging om ‘met woorden te schilderen’en te experimenteren met ingewikkelde syntactische constructies.’

 

In het slotgedicht vertel je dat Xenofanes eigenhandig zijn zoon moest begraven, ‘zoals ook Anaxagoras dat moest doen, en ik’ Hier geef je toch een heel intiem gegeven prijs.

‘Ik zie het als een hommage aan mijn overleden zoon Sander. Ook hij leeft op die manier.’


Aan Jovinianus

Als we Hieronymus mogen geloven,
waarde Jovinianus, de steile asceet
die in de waarheid wandelt en in fraai Latijn
Adversus Iovinianum heeft geschreven,
liep je als een bruidegom door Rome, heup-
wiegend, op vlugge, gevederde voet; liep je
gaaf en glad en glanzend, als herboren door Milaan,
je atletische lijf in een geestelijk gewaad,
wit en smetteloos, smetteloos wit.
Je stem vleit de vrouwen, Jovinianus,
en in jouw ogen is maagdom geen deugd.
Ach, het kon niet uitblijven: de synodes
zijn streng – Honorius heeft je verbannen.
Je geschriften zijn verboden en verbrand.
Je bent een ketter, Jovinianus. Gelukkig maar:
kwade dingen sterven niet.


Aan Kleanthes van Assos

Laat dit duidelijk zijn Kleanthes:
ik bewonder de man die het gewicht
van Zeno wist te dragen, die het gewicht
van water kent en de aarde wist
te laven vóór het wentelen van de nacht.
Weet je dat men je nu traagheid verwijt? Traag-
heid! Jij, die in je jonge jaren vuist-
vechter was, en je zwijgend bewoog,
op lichte voet. Traagheid: omdat je slechts
weloverwogen woorden spreekt.
Je geschrift over de schoonheid heb ik niet
kunnen vinden, Kleanthes, en vruchteloos
heb ik je boeken over de kunst der liefde
gezocht, over drift en plicht en roem, over
de glorierijke goden en over de roemloze Gorgippos.
Maar je hymne aan Zeus heb ik gelezen. O grote
Zeus! O wolkdonkere! O bliksemflitsende!
Kleanthes! Niemand kan twee goden dienen.
Je kan Zeus niet dienen en de zon.
Ook voor jou toch is de zon het hart
van de hemel en dragen de woorden het vuur?
Hoe kon je dan tegen Aristarchos schrijven?
Ach, ik weet het, Kleanthes, ik weet het.
Het is een retorische vraag – maar ik wil
wel eens weten hoe je er nù over denkt,
nu je ginds verblijft, ten westen van de zon.


Aan Lucilius Balbus

Ook jij, Balbus, prijst de schoonheid,
de maat die in de mensen ligt
en de orde die de goden hebben gewild:
maat, rede en evenwicht.
En het is waar dat zij, die niet
in de goden geloven, weinig fraais
hebben voortgebracht. Hun smaak
is te gekruid, hun hemel het verhemelte.
Chaos hebben zij verkozen:
drift, woede en razernij –
dat is hun deel geweest.
Toch begrijp ik je niet, Balbus.
Wat ben jij voor een stoïcijn?

Je bewondert de gaafheid van de cirkel,
de efficiëntie van een bol. Hoe,
bij Jupiter, kan je naar ingewanden
staren, de toekomst in een dooie lever
zien, de waarheid zoeken bij kale
kippen en de voorzienigheid in het vuur?
Laat dat aan Cotta over – lees Bion!
Toeval en toekomst, dat moest jou
onverschillig laten. Wichelend
verliezen je woorden hun gewicht.
Wichelen en wegen - dat past niet
bij een man, niet bij een stoïcijn,
niet bij Lucilius Balbus.


Aan Marcus Pacuvius van Brundisium

Het verhaal gaat, waarde confrater, dat jij
Zethus en Amfion in je verenigt;
dat je langzaam en zeer zorgvuldig werkt,
ook als je de zwijgende kunst beoefent
en het lak laat glanzen op de kleurige
wanden van het paleis; als je de zee
schildert zoals je haar hebt geschilderd
in je tragedie: ‘…huiver bevangt de zee,
de duisternis groeit en zwart verdwijnt de dag
in nacht en nevel; overvloedig stort
de regen uit de bevende hemel om-
laag, vuur breekt door de wolken, donder dreunt,
wild wervelt de losgeslagen stormwind
en razend kolkt de zee…’ Ja, inderdaad:
je souverein is de hartroerende, al-
machtige Rede en spreken je vergulde
vorstin. Je woorden wegen, Pacuvius.


Century vox

De binnenwereld ligt er verlaten bij;
ver weg is de zon van vroeger
die in haar gouden jaren de aarde
besprong als een bevlogen paard.

Brokstukken van de hel liggen
verweerd aan onze voeten: de woorden
die wij misprezen, de cijfers
die wij hebben misbruikt. Ons alfabet

ontbreekt een teken. Haveloos
liggen de letters verstrooid op de wind.
De wolken komen nader, maar
de laatste band met de hemel is weg.

p>Het hoogste zien is ons niet gegeven
maar nog tekent Debutades
een krijtlijn van liefde; een scha-
duw van vrede valt op een weerbarstig blad.