POËZIE

Uit: Oogseizoen

Wolfstij

binnenkomend zie ik:

hij leeft,

hij is nog niets vergeten,

het leeft -

maar reeds is zijn gezicht

zoals beschreven door hippocrates,

zijn ogen als

door nachtschade vergroot

ik sta verloren

tussen hem en de dood.

Cardiografie

kortbij is de dood reeds,

kortbij, wederrechtelijk aanwezig,

volgbaar, malicieus bewegend;

nog steeds hijgt de borst

maar koud is zijn hand reeds

in mijn hand en onweerstaanbaar

verkilt het leven.

post mortem

ga nu, zegt men

en je gaat -

werktuigelijk ga je

hem achterlatend

voor wat hij is:

een prooi

voor jonge anatomen.

mortuarium

onderkoeld

grandioos in de dood nog

volkomen horizontaal

de huid glad over

het gezicht gespannen

een wolk van niet weten

tussen hem en mij,

hij versteend en ik,

de aangewezen man om

zijn graf te houwen.

art funéraire

geen sterveling

hier in dit veld van graniet

waar hij nog slechts

een steen is tussen de andere

een schaduwloze naam op een graf

en ja, gefundenis Fressen

voor de wormen.

Uit: Noodweer